Bijkomende kosten grond: wel aftrekbaar

Veel van wat in de voorbije maanden in deze kolommen werd besproken, is inmiddels gerealiseerd of opgelost. Tijd dus voor een terugblik en een overzicht.

Een eerste maatregel die een tijdje geleden in het vooruitzicht werd gesteld, betreft de motiveringsverplichting op het gebied van de inkomstenbelastingen. Als de administratie een bericht van wijziging stuurt, of een kennisgeving van aanslag van ambtswege, dan heeft de belastingplichtige in principe één maand tijd om per kerende zijn opmerkingen te formuleren. De administratie hoeft met die opmerkingen geen rekening te houden. Tot op heden is zij zelfs niet verplicht te melden of zij er bij het vestigen van de aanslag al dan niet rekening mee zal houden. Daar komt nu verandering in.

In de loop van de voorbije maanden is in het parlement een wetsontwerp voorbereid dat de administratie de verplichting oplegt om aan de belastingplichtige te melden met welke opmerkingen zij geen rekening wenst te houden en wat daarvan de reden is. Een en ander staat inmiddels te lezen in de wet van 30 juni 2000, die op 12 augustus in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd.

De mededeling moet gebeuren uiterlijk op de dag waarop de aanslag wordt gevestigd, en zij moet per aangetekende brief aan de belastingplichtige worden betekend. De nieuwe regeling geldt met ingang van 1 oktober 2000.

Sanctie.

De wetgever heeft niet vermeld wat de sanctie is als de administratie de nieuwe motiveringsverplichting niet nakomt. De nietigheid van de aanslag lijkt de meest aangepaste sanctie te zijn. Maar het is bijna voorspelbaar dat de rechters pas bereid zullen zijn de aanslag nietig te verklaren, als de inbreuk op de motiveringsverplichting een ernstige aantasting inhoudt van de rechten van de belastingplichtige; en dus niet, als het gebrek aan motivering te maken heeft met opmerkingen van de belastingplichtige die niet ter zake doen of niet ernstig zijn.

Arbeidsongeval.

Goed nieuws is er voor wie het slachtoffer is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte en als gevolg daarvan een vergoeding ontvangt wegens een permanente invaliditeit. Tot voor kort ging de administratie ervan uit dat deze vergoedingen zonder meer als beroepsinkomsten belastbaar waren. Maar onder druk van de rechtspraak van het Arbitragehof heeft zij haar zienswijze moeten herzien. Als gevolg daarvan heeft minister van Financiën Didier Reynders ( PRL) een initiatief genomen om de wettelijke invaliditeitsvergoedingen wegens arbeidsongevallen of beroepsziekten minstens gedeeltelijk belastingvrij te verklaren.

Het wetsontwerp dat daartoe bij het parlement werd ingediend, is inmiddels ook definitief wet geworden (cfr. de wet van 19 juli 2000, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 4 augustus 2000).

Vermoedens.

In twee woorden gezegd, komt de regeling hierop neer: de voormelde vergoedingen worden met ingang van het aanslagjaar 1999 niet langer geacht belastbaar te zijn in de mate dat zij geen inkomstenverlies herstellen. En, om discussies te vermijden, wordt daar meteen een aantal vermoedens aan vastgeknoopt. De vergoeding wordt geacht geen inkomstenverlies te herstellen (en dus belastingvrij te blijven) als zij wordt uitbetaald ter aanvulling van een rust- of overlevingspensioen. Wordt zij in andere omstandigheden uitbetaald, dan wordt zij eveneens geacht geen inkomstenverlies te dekken, maar dit slechts in de mate dat de vergoeding niet hoger is dan het gedeelte dat wordt berekend door toepassing van een breuk waarvan de teller gelijk is aan 20% en de noemer gelijk is aan het werkelijk invaliditeitspercentage.

Bij een invaliditeit van 20% wordt de vergoeding dus volledig vrijgesteld van belasting (de breuk is dan immers gelijk aan 20/20, wat neerkomt op 100%); bij een invaliditeit van 100% slaat het vermoeden van onbelastbaarheid op dezelfde wijze op 20% van de verkregen vergoeding (de breuk is dan immers 20/100, wat staat voor een vrijstellingspercentage van 20%).

Met dien verstande dat het de belastingplichtige vrijstaat om aan te tonen dat de verkregen vergoeding voor een groter gedeelte geen inkomensverlies dekt. Kan de belastingplichtige dit bewijzen, dan wordt dit grotere gedeelte vrijgesteld van belasting.

In de praktijk is het de bedoeling dat de belastingvrijstelling zo veel mogelijk automatisch wordt toegepast. Voor het aanslagjaar 1999 is die bedoeling zelfs tot wettelijke regel verheven. De administratie zal de gevestigde aanslagen voor dat aanslagjaar corrigeren, zelfs als de belastingplichtige geen bezwaar heeft ingediend.

Lening.

Nog een belangrijke wijziging van de fiscale wetgeving die inmiddels definitief is geworden: wie de kapitaalaflossingen van een hypothecaire lening fiscaal in rekening wil brengen, moest er totnogtoe voor zorgen dat de hypothecaire lening gewaarborgd was door een schuldsaldoverzekering. Dit is voortaan niet meer nodig (wet van 17 mei 2000; Belgisch Staatsblad van 16 juni 2000). De hypothecaire lening moet, zoals voorheen, aangegaan zijn om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen. De lening moet aangegaan zijn bij een instelling die gevestigd is in de Europese Unie; en de lening moet een looptijd hebben van minstens tien jaar. Maar met ingang van het aanslagjaar 2001 (inkomsten van het jaar 2000) is niet meer vereist dat zij gewaarborgd is door een schuldsaldoverzekering.

Grond.

Een ander heikel onderwerp dat de jongste maanden aan de orde was, betreft het probleem van de bijkomende kosten die worden betaald bij de beroepsmatige verwerving van gronden. De vraag is of deze kosten (notariskosten, registratierechten…) wel of niet als beroepskosten in aftrek kunnen worden gebracht.

De belastingadministratie is er in het verleden altijd van uitgegaan dat dit niet het geval is. Gronden zijn in de regel niet afschrijfbaar, omdat hun gebruiksduur in de regel ook niet beperkt is. Dus zijn, volgens de administratie, ook de bijkomende kosten fiscaal niet aftrekbaar. Dit op basis van het principe dat het lot van de bijzaak (de bijkomende kosten) het lot van de hoofdzaak (de grond) volgt.

Een aantal hoven van beroep heeft deze regel evenwel opzijgeschoven, en heeft aanvaard dat de bijkomende kosten in verband met de aanschaf van grond wel fiscaal aftrekbaar zijn. En dus werd met spanning uitgekeken naar een reactie van het Hof van Cassatie.

In een eerste arrest (waarvan een tweetal maanden geleden melding werd gemaakt) bleef het Hof op de vlakte. Maar inmiddels zijn drie arresten van het hoogste rechtscollege bekend geraakt waarin het Hof zeer uitdrukkelijk aanvaardt dat de bijkomende kosten die op gronden slaan, wel fiscaal als beroepskosten aftrekbaar kunnen zijn (Cass., 22 juni 2000, drie arresten).

De achterliggende redenering is – grosso modo – de volgende: de aanschaffingsprijs van een grond is (boekhoudkundig) in principe gelijk aan de aanschaffingsprijs inclusief de bijkomende kosten. Maar zodra blijkt dat tegenover deze bijkomende kosten geen werkelijke tegenwaarde staat, mogen deze kosten geacht worden een ontwaarding te vertegenwoordigen, en mag op de aanschaffingsprijs (inclusief bijkomende kosten) een waardevermindering worden toegepast (gelijk aan de bijkomende kosten). Die boekhoudkundige benadering werkt eveneens door op fiscaal gebied, zodat moet worden aangenomen dat deze waardevermindering ook op fiscaal gebied als beroepskost aftrekbaar is.

Het probleem van de bijkomende kosten van gronden lijkt daarmee opgelost. Tenzij de wetgever alsnog zou tussenkomen om een andere wending aan het debat te geven. Maar vooralsnog zijn daar geen aanwijzingen voor.

Rechtspersoon.

Om af te sluiten, nog iets over de rechtspersonenbelasting.

Enkele weken geleden werd in deze kolommen betoogd dat de wettekst in verband met de rechtspersonenbelasting, ingevolge opeenvolgende wetswijzigingen, erg chaotisch is geworden en op sommige punten volledig de mist ingaat. Met als gevolg dat niemand er nog wijs uit geraakt en dat er in de praktijk grote verwarring bestaat over de juiste tarieven die in de rechtspersonenbelasting van toepassing zijn. Daarom werd de suggestie gedaan de wettekst dringend op te poetsen.

En dat zal binnenkort ook gebeuren. De ministerraad heeft immers zijn goedkeuring gehecht aan een wetsontwerp dat ertoe strekt orde te scheppen in de wetteksten die op de rechtspersonenbelasting betrekking hebben. Dat ontwerp is nu voor advies naar de Raad van State en zal nadien voor verdere behandeling bij het parlement worden ingediend.

Pluim.

Wie de pluim voor dit laatste initiatief op zijn hoed mag steken? Het probleem werd weliswaar ook in deze kolommen ter sprake gebracht. Maar, vooraleer de inkt daarvan droog was, stond het wetsontwerp al op de agenda van de ministerraad. De suggestie die hier werd gedaan, kan dus hooguit de vrucht van fiscale telepathie zijn geweest.

jan van dyck

Partner Content