"De verlaging van de btw op gas en elektriciteit is definitief." Volgens vicepremier Frank Vandenbroucke (Vooruit) komt het btw-tarief van 21 procent nooit meer terug. Dat verklaarde hij de dag nadat het Overlegcomité de btw-verlaging voor gas en elektriciteit naar 6 procent had verlengd tot maart. Tegelijk werd beslist om ook de compensatie voor wie verwarmt op stookolie, de verlaagde accijnzen aan de pomp en het uitgebreide sociale tarief tot zolang voort te zetten.
...

"De verlaging van de btw op gas en elektriciteit is definitief." Volgens vicepremier Frank Vandenbroucke (Vooruit) komt het btw-tarief van 21 procent nooit meer terug. Dat verklaarde hij de dag nadat het Overlegcomité de btw-verlaging voor gas en elektriciteit naar 6 procent had verlengd tot maart. Tegelijk werd beslist om ook de compensatie voor wie verwarmt op stookolie, de verlaagde accijnzen aan de pomp en het uitgebreide sociale tarief tot zolang voort te zetten. Het is alle hens aan denk: ook al is het een beperkte verlichting van de energiefactuur, de partijen van de regering-De Croo willen aantonen dat ze zo veel mogelijk doen om de koopkracht van de gezinnen te vrijwaren. Dat thema zal het beleidswerk ook de komende maanden bepalen en spanningen blijven veroorzaken in de federale regering. Ook al omdat de vakbonden van plan zijn de druk op te voeren. Het viel wat tussen de plooien van het nieuws, maar eind augustus kwamen de vakbonden samen om hun strategie voor het najaar te bespreken. Kort daarna zette ABVV-voorzitter Thierry Bodson de lijnen uit in de Franstalige media: er volgt een eerste actiedag op 21 september en mogelijk vindt in november een nationale staking plaats. De vakbonden vinden de koopkrachtmaatregelen van de regering ondermaats. Sociale onrust door de aanhoudend hoge facturen kan hun mobilisatiekracht aanzienlijk versterken. Daarnaast is de syndicale frustratie groot, omdat een cruciaal sociaal dossier geblokkeerd zit: de welvaartsvastheid van de uitkeringen. Om de twee jaar stelt de regering aan de sociale partners een budget ter beschikking om de uitkeringen te indexeren. Daarbovenop krijgen ze een extraatje om onder andere de pensioenen en de werkloosheidsuitkeringen ook aan te passen aan de reële loonevolutie. Deze keer maakt de regering 900 miljoen euro vrij. Het is aan de vakbonden en de werkgevers om deze maand een advies te formuleren over hoe ze dat bedrag willen verdelen over de verschillende uitkeringen. Dat overleg zit muurvast, omdat de werkgevers over dat punt niet afzonderlijk willen onderhandelen. "Al die sociaal-economische dossiers apart aanpakken heeft geen zin", benadrukt Pieter Timmermans, de topman van het VBO. "De werkgevers willen de discussie over de welvaartsenveloppe, de loonnorm, de fiscale hervorming en de begroting samen voeren, om een totaalakkoord te sluiten voor actieven én niet-actieven." Dat de werkgevers op de rem staan, heeft twee redenen. Ze vrezen dat als de vakbonden met de welvaartsenveloppe al snel hun trofee binnenhalen, er daarna geen urgentie meer is om te onderhandelen over maatregelen die de concurrentiekracht van de bedrijven bevorderen. Ten tweede dreigt de verhoging van een aantal uitkeringen, zoals die voor werklozen, de werkloosheidsvallen opnieuw te open te zetten, waardoor het minder aantrekkelijk wordt om een baan te aanvaarden. Aangezien het overleg vastzit, wordt de hete aardappel van de welvaartsenveloppe na midden september doorgeschoven naar de federale regering. Kan die de knoop doorhakken? Gezien het flauwe pensioenakkoord van juli en de weinig indrukwekkende resultaten van het recente Overlegcomité, is die kans klein. Wellicht komen de klassieke ideologische meningsverschillen tussen socialisten, die voor hogere uitkeringen zijn, en liberalen, die vinden dat werken aantrekkelijker moet worden, weer naar boven in de regering. De discussie over de welvaartsenveloppe is niet levensbedreigend voor Vivaldi. Het draait misschien anders uit met het loonoverleg voor 2023-2024. Dat dossier wordt dit najaar het hoofdgerecht voor de federale regering. Normaal gesproken nemen de sociale partners hierin de leiding, nadat in november een rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) bekendmaakt hoeveel reële loonmarge overblijft na de indexering van de lonen. Na de 0,4 procent reële loonmarge voor 2021-2022 staat nu al zo goed als vast dat de marge 0 procent zal zijn voor 2023-2024. Op basis van de laatste ramingen wordt in de periode 2022-2024 een loonkostenstijging met 17 procent verwacht. Dat komt overeen met een extra loonfactuur van 26 miljard euro, alleen ten gevolge van de automatische loonindexering. Het is dus onvermijdelijk dat de Belgische loonkostenhandicap tegenover de buurlanden groeit. Elk bedrag daarboven versterkt de handicap nog. Uiteraard worden de lonen ook in de buurlanden aangepast aan de stijgende kosten van het levensonderhoud, maar dat gebeurt niet automatisch en niet in dezelfde mate als in België. Nu zich een recessie aandient, is de kans bovendien reëel dat de loonsverhogingen in de buurlanden minder groot zullen zijn. De looneisen in de Duitse metaalsector zijn een referentie voor de rest van de economie: die liggen op of zelfs net onder het niveau van de inflatie. Maar in het verleden werd ongeveer twee derde van die eis ingewilligd. De Belgische vakbonden vinden dat er wél ruimte moet zijn voor een loonoverleg boven op de inflatie en vragen een aanpassing van de strenge loonnormwet van 2017. Eind juni vond in de Kamer een hoorzitting plaats waar de vakbonden hun pleidooi voor een soepelere loonnormwet hebben herhaald. Groenen en socialisten zijn voorstander van een herziening van de loonnormwet, maar daarover staat niets in het regeerakkoord. Bij de PS is te horen dat de partij het spel niet te hard wil spelen. De wet blijft wellicht wat hij is. Toch zouden de socialisten via een andere weg voor extra loonsverhogingen willen zorgen. Dat is dynamiet voor de regering, waarvan de centrum- en rechterflank (cd&v en liberalen) onder steeds grotere druk van de werkgevers staat. Zij waarschuwen voor grote problemen, omdat almaar meer bedrijven het moeilijk krijgen om hun energiefactuur te betalen. Voor alle ondernemingen ligt de huidige gasprijs 180 procent hoger dan het gemiddelde in 2021, en voor de energie-intensieve bedrijven 260 procent. Volgens de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka is bijna één op de twee bedrijven niet ingedekt tegen stijgende energieprijzen. Bij de helft van de ondernemingen die dat wel zijn, loopt die indekking binnen de drie maanden af. Slechts één op de vier bedrijven is voor langer dan een jaar ingedekt. Als de energieprijzen voortstijgen, zegt een derde van de Voka-leden hun productie te zullen verminderen of stop te zetten. Bij de energie-intensieve bedrijven ligt dat percentage nog hoger. De werkgevers voeren de druk op de federale regering op. Zo willen ze dat het soepele systeem van de tijdelijke werkloosheid wordt heringevoerd zoals tijdens de coronaperiode, om het effect van de lagere productie op de werkgelegenheid te beperken. Een andere eis is geen reële loonsverhoging voor 2023-2024 toe te kennen. De ministers en de staatssecretarissen van de PS in de regering hebben al meermaals verklaard dat de ondernemingen niet te veel moeten klagen, want tijdens de coronacrisis zijn ze al royaal geholpen. Spanningen gegarandeerd dus. Leiden die mogelijk tot de val van de regering? "Niet zo snel", zegt een oud-kabinetschef. "In België is men origineel in het vinden van oplossingen om crisissen te vermijden. Er kan bijvoorbeeld een akkoord worden gesloten om de lonen boven de index niet aan te passen, maar wel een cheque van een paar honderden euro's te geven. De werkgevers kunnen dan zeggen dat de loonnormwet is gerespecteerd, de vakbonden kunnen uitpakken met een extraatje. Maar zoiets kost honderden miljoenen euro's extra aan de staatskas. Met de slechte begrotingstoestand is dat niet vanzelfsprekend." En daarmee zitten we bij een van de heikelste struikelblokken: de openbare financiën. Naar verluidt zou Vivaldi werken aan een begrotingsopmaak voor twee jaar: 2023 en 2024. De redenering daarachter is dat we volgend jaar te dicht bij de verkiezingen zijn en een begrotingsopmaak dan politieke sciencefiction is. Net voor de Wetstraat met zomerreces ging, waarschuwde het Monitoringcomité, de ambtenaren die de begroting opvolgen, dat het begrotingstekort volgend jaar 26,1 miljard euro of 4,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp) zou bedragen. 20 miljard euro is voor rekening van de federale regering. Dat is 6 miljard euro meer dan wat ze aan de Europese Commissie had beloofd. Midden september komt het Planbureau met nieuwe economische vooruitzichten, die de basis voor de begrotingsinspanning leggen. Volgens het regeerakkoord moet België hoe dan ook 0,2 procent van het bbp per jaar besparen, of 1 miljard euro. Bij een goede conjunctuur komt daar nog eens 0,3 procent bij - samen 0,5 procent, of 2,5 miljard euro. Bij een lage economische groei is een sanering van 0,2 procent voldoende. Gezien het risico op een recessie in het najaar, gaan we wellicht in de richting van een beperkte inspanning. Toch zou het verkeerd zijn te denken dat de Vivaldi-regering zomaar tijd kan kopen. Het begrotingstekort dreigt richting 5 procent te gaan. Daarmee is België een van de slechtste leerlingen van de Europese klas. En het kan nog erger. In haar julirapport voorspelde het Monitoringcomité dat de federale fiscale ontvangsten volgend jaar met meer dan 7 miljard euro (+5%) zouden stijgen. Met een lagere groei of een recessie is dat cijfer gedateerd. Meer nog: het Monitoringcomité rekende daarbij op 2,4 miljard euro extra btw-inkomsten, omdat het btw-tarief op gas en elektriciteit in januari 2023 opnieuw zou worden opgetrokken naar 21 procent. Door de recente verlenging van de koopkrachtmaatregelen zal dat dus niet gebeuren. De Belgische regering heeft het voordeel dat de Europese Commissie tot 2023 niet streng is voor landen die het minder nauw nemen met de begrotingsdiscipline. Maar voor 2024 dreigt toch een procedure wegens een 'buitensporig begrotingstekort'. Dus moet Vivaldi iets doen. Twee denksporen liggen open. Staatssecretaris Thomas Dermine (PS), de stem van partijvoorzitter Paul Magnette, sprak al van een verhoging van de effectentaks en binnen de PS wordt gespeeld met het idee om versneld een Belgische versie van de minimumbelasting op bedrijven in te voeren. Aan de andere kant ziet minister van Financiën Vincent Van Peteghem (cd&v) zijn kans schoon om een of meer onderdelen van zijn grote fiscale hervorming op tafel te leggen: lagere lasten op arbeid, onder meer via een verhoging van het belastingvrije minimum, wat in deze tijden van hoge energiefacturen een koopkrachtversterkende ingreep zou zijn. Wel moeten die lagere lasten op arbeid worden gecompenseerd om de impact op de begroting te beperken. Daarvoor kijkt Van Peteghem richting de vermogens en de huurinkomsten. Maar de liberalen en vooral de Franstalige MR hebben al duidelijk gemaakt dat daar geen sprake van kan zijn. Over echte besparingen op uitgaven is het zelfs volledig stil. Voor zulke ingrepen moeten we al teruggaan naar de vorige federale regering, met de indexsprong in 2015, die de stijging van de uitkeringen, de overheidslonen en de werkingsmiddelen even on hold zette. Het was het enige jaar in het voorbije decennium dat de uitgaven min of meer onder controle bleven en minder snel stegen dan de economische groei.