Toegegeven, het is vandaag geen cadeau om de sleutels van de Wetstraat 16 in handen te krijgen. De coronacrisis katapulteert de welvaart enkele jaren terug in de tijd. De vergrijzing slaat de begroting nog jaren lek. De strijd tegen de klimaatverandering eist grote investeringen, en de digitalisering van de economie vraagt een flexibele arbeidsmarkt en een efficiënt sociaal vangnet. De enige loper die al die deuren vlot kan ontsluiten, is een stevige portie economische groei, maar die dreigt een mager beestje te blijven.
...

Toegegeven, het is vandaag geen cadeau om de sleutels van de Wetstraat 16 in handen te krijgen. De coronacrisis katapulteert de welvaart enkele jaren terug in de tijd. De vergrijzing slaat de begroting nog jaren lek. De strijd tegen de klimaatverandering eist grote investeringen, en de digitalisering van de economie vraagt een flexibele arbeidsmarkt en een efficiënt sociaal vangnet. De enige loper die al die deuren vlot kan ontsluiten, is een stevige portie economische groei, maar die dreigt een mager beestje te blijven. Redenen genoeg om vol aan de bak te gaan, maar dat valt tegen. De Vivaldi-partijen laten na de coronacrisis als springplank te gebruiken om de pijnpunten van de Belgische economie grondig aan te pakken. Het valt te betwijfelen of Vivaldi op de volgende vijf vragen, die de welvaart de volgende jaren in de juiste of de verkeerde plooi kunnen leggen, een geruststellend antwoord kan geven. Op korte termijn is dat de meest dringende en de gemakkelijkste opdracht. Vriend en vijand zijn het erover eens dat de overheid nu de rol van ' spender of last resort' moet spelen. De overheid geeft uit wat de private sector niet kan of niet meer durft uit te geven. In België gebeurt dat voor een groot deel automatisch. De Europese Centrale Bank berekende vorige week nog dat de 'automatische stabilisatoren' het grootst zijn in België, dankzij de al hoge overheidsuitgaven en de royale tijdelijke werkloosheidsuitkering. De eerste en hardste coronaklap werd dus opgevangen door de regering-Wilmès en de regionale overheden. Het is aan de nieuwe regering om daar een relancebeleid aan toe te voegen. Die kan van de nood zelfs een deugd maken door de coronacrisis als hefboom te gebruiken om de productieve overheidsinvesteringen op te voeren. Het zwaartepunt daarvan ligt bij de regio's ( lees ook blz. 10) en de gemeenten, maar ook de federale regering kan wat doen. Een stevig relancebeleid bestaat niet alleen uit overheidsinvesteringen. Het herstelt ook het vertrouwen van de private sector, zodat de gezinnen het geld laten rollen en de bedrijven investeren. Dat vergt maatregelen die op termijn de schatkist geld besparen en de overheidsfinanciën stabiliseren - zoals een stevige pensioenhervorming, die de factuur van de vergrijzing stabiliseert. Maar dat is blijkbaar niet de ambitie van de Vivaldi-coalitie. Dat covid-19 de schatkist een flinke oplawaai verkocht, is in principe een tijdelijk gegeven. Vivaldi wacht de uitdaging om na deze crisis de staatsfinanciën opnieuw gezonde fundamenten te geven. Dat wordt een hele klus, vertrekkend van een structureel tekort van 5 procent, een staatsschuld van straks 120 procent en oplopende vergrijzingskosten. Die cijfers maken de overheidsfinanciën bijzonder kwetsbaar voor een nieuwe crisis. De Vivaldi-partijen maken echter geen haast en beperken de begrotingsinspanning tot een minimum. Het kalf ligt vooral gebonden in de uitgaven. Zelfs de regering-Michel kreeg die amper onder controle. Tussen 2015 en 2018 stegen de overheidsuitgaven weliswaar minder snel dan het bruto binnenlands product (bbp), maar dat vergde pittige maatregelen, zoals een indexsprong. Zulke maatregelen zijn ondenkbaar in de Vivaldi-constellatie. Vanaf 2019 stegen de overheidsuitgaven opnieuw sneller dan het bbp. Zodra de voet van het besparingspedaal gaat, nemen de oplopende kosten voor de pensioenen en de gezondheidszorg de begroting opnieuw op sleeptouw naar grotere tekorten. Om de uitgaven onder controle te houden dringt zich nog maar eens een pensioenhervorming op die de mensen langer aan de slag houdt. De effectieve pensioenleeftijd ligt met 61 jaar nog ver onder de wettelijke pensioenleeftijd, die slechts geleidelijk wordt opgetrokken. Er zijn geen gemakkelijke oplossingen. Er is de keuze tussen de koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting, de afbouw van de gelijkgestelde periodes en de invoering van een pensioenmalus (het wettelijk pensioen verlagen voor wie met vervroegd pensioen gaat). Vivaldi blijft ver weg van zo'n noodzakelijke pensioenhervorming. De nieuwe regering deelt liever cadeaus uit, met het pensioen van 1500 euro als blikvanger. Vivaldi verhoogt ook de groeinorm in de gezondheidszorg naar 2,5 procent, zonder zich af te vragen of de gezondheidszorg efficiënter kan werken. De extra uitgaven zetten de sociale zekerheid niet op droog zaad, want de federale overheid past met de zogenoemde evenwichtsdotatie de tekorten automatisch bij. De ene put wordt gevuld door een andere te graven. Het wensenlijstje van aanvankelijk 11 miljard euro voor nieuw beleid werd weliswaar stevig ingekort, maar zelfs daar is in principe geen geld voor. Vivaldi spreekt zelfs van terugverdieneffecten van de hogere pensioenen om de rekening enigszins te doen kloppen. Als de uitgaven opnieuw oplopen en als Vivaldi de begroting toch op de rails wil houden, dan is een behoorlijke belastingverhoging bijna onvermijdelijk, hoewel de liberale partijen daar niet van willen weten. Blauw is echter in een rode fuik gezwommen. De uitgaven voor nieuw beleid lijken vast te liggen, maar de hervormingen die dat moeten betalen zijn onbestaande, of voer voor discussie en dus vatbaar voor uitstel en afstel. Voerde de regering-Michel nog een beleid om de overheid tot een beperkt dieet te dwingen door de belastingen wat te verlagen, dan maakt Vivaldi plannen om belastingverhogingen uit te lokken door de uitgaven op te voeren. In navolging van de vorige paarsgroene regering (1999-2003), die het had over de "actieve welvaartsstaat" en daarna over de "creatie van 200.000 banen", is ook Vivaldi in haar communicatie ambitieus. De nieuwe regering zou tegen 2030 een werkzaamheidsgraad van 80 procent nastreven. Momenteel bedraagt de werkzaamheidsgraad minder dan 69 procent (voor de coronacrisis 70,5 procent). Om die doelstelling te halen moeten 650.000 mensen extra aan de slag. Zonder grondige arbeidsmarkthervormingen wordt dat heel moeilijk. Instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds, de OESO en de Europese Commissie pleiten voor een flexibelere arbeidsmarkt, met eventueel een beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd, het gemakkelijker combineren van werk en uitkering, een minder rigide loonvorming en het loskoppelen van loon en anciënniteit. Maatregelen die voor de meeste Vivaldi-partijen taboe zijn. Wat Vivaldi aan dit front niet wil doen, is belangrijker dan wat het wel doet. De maatregelen van de regering-Michel zoals de taxshift, de nieuwe loonwet en de verstrenging van het stelsel van vervroegde uittreding (brugpensioen en landingsbanen) worden niet teruggedraaid. En er wordt gewerkt aan de hervorming van de arbeidsmarkt. Open Vld zal dat verkopen als een overwinning, maar de vraag is of het geen kat in een zak heeft gekocht. Dat de sociale partners betrokken worden bij de arbeidsmarkthervormingen, past in de Belgische traditie van het sociaal overleg, maar is eigenlijk een gemakkelijkheidsoplossing. Zoals de Gentse econoom Stijn Baert het vorige week in Trends zei: de sociale partners fungeren als vergeetput voor hervormingen. Heikele dossiers werden ten tijde van de regering-Michel op instigatie van minister van Werk Kris Peeters (CD&V) naar de Groep van Tien doorgeschoven. Dat betekende in het beste geval een status quo. De kans is groot dat het de komende jaren niet anders gaat. Aan het brugpensioen en de werkloosheidsverzekering wordt hoe dan ook niet geraakt. Meer nog, door de coronacrisis besloten de sociale partners de bevriezing van de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen, die loopt sinds april, te verlengen tot eind dit jaar. Zal de Vivaldi-regering die bevriezing beëindigen? In België wordt iets tijdelijks snel definitief. De olifant in de kamer is de zwakke economische groei. Een belasting links verhogen of een besparing rechts realiseren is als schuiven met de stoelen op de Titanic. De vergrijzing blijft alleen betaalbaar als de Belgische economie opnieuw sneller groeit. "In 2070 zullen de sociale uitgaven 60 procent van het huidige bpp bedragen. Dat betekent dat het bbp tegen dan moet verdubbelen om de sociale uitgaven te beperken tot 27,6 procent van het bbp, tegenover 25 procent in 2018", zei professor Gert Peersman (UGent) vorig jaar. De noodzakelijke economische groei komt niet uit de lucht gevallen. Vooral een toename van de productiviteit kan de groei hoger tillen, beperkt aangevuld met een toename van de werkgelegenheid. De ongemakkelijke waarheid is dat de toename van de productiviteit in België bijna volledig verdampt is. Na decennia van vertraging rest nog een toename van de productiviteit van 0,5 procent (zie grafiek), terwijl 1,2 procent nodig is om het bbp tegen 2070 te verdubbelen. Vivaldi geeft het paard van de economische groei te weinig haver. Naast overheidsinvesteringen vraagt dat hervormingen van de arbeidsmarkt, zodat menselijk kapitaal vlotter doorstroomt naar de productievere ondernemingen. Ook is er nog een gebrek aan concurrentie op verschillende markten, wat de innovatie en dus de productiviteit afremt. Zorgen dat er voldoende energie is, en liefst betaalbaar en duurzaam: dat is de opdracht voor elke regering. Maar die opdracht wordt almaar complexer. Europa streeft klimaatneutraliteit na tegen 2050. In elk scenario moet de energiesector tegen die streefdatum nagenoeg volledig draaien op hernieuwbare bronnen. Die transitie is een pad vol doornen en moeilijke keuzes. Sommigen gaan ervan uit dat de klimaatopwarming het mogelijk maakt de kerncentrales te sluiten zonder nieuwe grootschalige elektriciteitscentrales. Al blijft het dan hopen dat we de eerstkomende jaren geen strenge winter meemaken. De meeste sectorspelers spelen liever op zeker en pleiten voor het behoud van voldoende grootschalige energieproductie. Een verlenging van de levensduur van twee kerncentrales drukt op korte termijn de marktprijs voor elektriciteit, maar ondermijnt tegelijk de appetijt om te investeren in alternatieven. Ze vervangen door gascentrales is duurder: bijna niemand wil ze bouwen zonder ondersteuning en de investeringen moeten worden terugverdiend. Bovendien jagen gascentrales de uitstoot de hoogte in. De Vivaldi-partijen kiezen daarom voor een tweesporenbeleid. De kerncentrales gaan dicht, tenzij een studie uitwijst dat de bevoorrading dan in het gedrang komt. Bovendien zet de 'tenzij-clausule' een serieuze rem op de appetijt van potentiële investeerders. Met als gevolg dat er toch opnieuw twee kerncentrales moeten worden verlengd. Al waarschuwde de uitbater Engie al meerdere malen dat die beslissing op tijd moet worden genomen, liefst voor het einde van dit jaar.