De voorbije dagen doken tegenstrijdige berichten over de Belgische arbeidsmarkt op. Volgens het Statbel, het Belgische statistiekbureau, waren in het eerste kwartaal van 2019 69,2 procent van de 20- tot 64-jarigen aan het werk. Dat zijn er voor het eerst sinds lang minder dan in het vorige kwartaal. Eind 2018 had nog 70 procent van hen een baan. Anderzijds leren cijfers van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) dat er in de eerste drie maanden van dit jaar 78.000 banen bij gekomen zijn in vergelijking met dezelfde periode begin 2018. In België zijn nu zo'n 4.072.000 mensen aan de slag.

De Belgische arbeidsmarkt valt dus niet stil, maar de jobmotor begint toch wat te sputteren. De Nationale Bank voorspelde vorige maand dat er wel nog banen zullen bij komen, maar niet in dezelfde mate als de voorbije jaren.

Dat is jammer. Mochten we het ritme van 2017-2018 de komende vijf jaar volhouden, dan komen er 350.000 banen bij. Dat is amper de helft van het aantal banen dat we nodig hebben om op het niveau van Nederland en de Scandinavische landen te komen, maar het zou al een fraaie prestatie zijn. België blijft minder sterk presteren dan andere landen in de Europese Unie. In 2008 bedroeg onze werkzaamheidsgraad 68 procent, 2,2 procentpunt minder dan het EU-gemiddelde. Eind vorig jaar was dat 70 procent, maar de kloof met het Europese gemiddelde was toegenomen tot 3,4 procentpunt. De Belgische arbeidsmarkt is gezond, maar niet in topvorm. Er zijn banen bij gekomen, maar te weinig.

De eerste aanjagers van de jobcreatie zijn natuurlijk de bedrijven. Maar de overheden kunnen een belangrijke rol spelen, door een kader te creëren waarin banengroei mogelijk wordt. De vraag is of de volgende regeringen daartoe in staat zijn.

Te weinig jobs jobs jobs.

De uitdagingen zijn bekend. Eerst moet de grote groep inactieven - 30 procent van de beroepsbevolking - krimpen. In de groep 15-64-jarigen is de grootste groep inactieven student (40,2%). Daarna volgende de arbeidsongeschikten (18,7%), de bruggepensioneerden (16,54%) en de huisvrouwen of -mannen (13,5%). Bij de 50- tot 64-jarigen is 37,1 procent inactief, van wie een groot deel gepensioneerd. De twee vorige federale regeringen hebben al stappen in de goede richting gedaan, met strengere regels voor de vervroegde uittredingsstelsels zoals de werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen) en het vervroegd pensioen. Maar er is meer nodig. En het is maar de vraag of een volgende federale regering, die wellicht uit een bont gezelschap van partijen zal bestaan, daar voldoende daadkracht voor heeft.

Een tweede uitdaging is de laaggeschoolden aan het werk krijgen. Volgens cijfers van Ive Marx (Universiteit Antwerpen) werkt 63 procent van de Nederlanders met maximaal een diploma lager secundair onderwijs. In België is dat 46 procent. Het gebrek aan zogenoemde laagbetaalde banen is een oud zeer in België. Dat is een gevolg van de rigide loonvorming en minder deeltijdse arbeid, maar ook van de grote werkloosheidsval voor laaggeschoolden. Voor velen onder hen is het financieel aantrekkelijker om niet te werken.

Aan die werkloosheidsval kunnen de deelstaatregeringen de komende jaren iets doen. Ze kunnen hun fiscale autonomie gebruiken om de belastingen te verlagen voor de werkenden met een lager inkomen. Er circuleerden de voorbije maanden bedragen van 100 euro tot 150 euro netto per maand. Een Vlaamse regering bestaande uit N-VA, Open Vld en CD&V moet en kan zo'n nieuwe jobkorting invoeren.

Toch ligt de grootste uitdaging niet in Vlaanderen (met een werkzaamheidsgraad van 76%), maar in Brussel en Wallonië. De kloof met Brussel (61%) en Wallonië (63%) is te groot. De vraag is of daar snel verandering in komt. Brussel wil wel meer allochtonen aan de slag krijgen, onder meer door hun talenkennis op te krikken. Slechts 39 procent van de Brusselaars van niet-Europese origine is aan het werk. Maar in zijn analyses maakt de Brusselse arbeidsbemiddelingsdienst Actiris een denkfout: als het gemis van een baan niet toegewezen kan worden aan diploma of taal, dan komt het omdat de bedrijven discrimineren.

Als het over het arbeidsmarktbeleid gaat, komt men in Brussel al snel in een ideologische stellingenoorlog terecht. In Wallonië is het niet anders. In het embryo van regeerakkoord dat PS en Ecolo in elkaar staken, wordt amper gesproken over private jobcreatie. Het gaat enkel over opleidingscheques en gesubsidieerde banen. Dat belooft weinig goeds.