De sociale bescherming van de zelfstandigen is er in de loop der jaren aanzienlijk op vooruitgegaan. "In het statuut van een halve eeuw geleden lag de focus op een sobere basisverzekering, om de grootste risico's op te vangen", vertelt Jan Steverlynck, de gedelegeerd bestuurder van de socialedienstverlener voor zelfstandigen Zenito.
...

De sociale bescherming van de zelfstandigen is er in de loop der jaren aanzienlijk op vooruitgegaan. "In het statuut van een halve eeuw geleden lag de focus op een sobere basisverzekering, om de grootste risico's op te vangen", vertelt Jan Steverlynck, de gedelegeerd bestuurder van de socialedienstverlener voor zelfstandigen Zenito. "De eerste wetgeving rond het zelfstandigenstatuut, de kinderbijslagwet, dateert van 1937. De volgende stap was de pensioenwetgeving in 1956. In 1967 bestond een aparte wetgeving voor de sociale bescherming voor de kinderbijslag, de gezondheidszorg en de pensioenen van zelfstandigen. Alles werd toen samengevoegd tot een eerste wetgeving voor zelfstandigen. De inning van de sociale bijdragen werd gecentraliseerd in één instelling." Van dan af hielden de vertegenwoordigers van de zelfstandigen in het sociaal overleg en via de politiek de druk hoog om het statuut te verbeteren. Met succes, zo blijkt uit het boek De sociale zekerheid van zelfstandigen in België 1937-2017, dat Zenito onlangs uitgaf. De dekking in de gezondheidszorg werd uitgebreid van de grote naar de kleine risico's. Er werd een faillissementsverzekering ingevoerd. En vooral: de minimumpensioenen voor zelfstandigen werden geleidelijk opgetrokken naar het niveau van die van de werknemers. Het minimumgezinspensioen voor zelfstandigen is sinds 2016 gelijkgesteld aan dat voor werknemers. "Een mooi palmares, maar het kan nog beter", oordeelt Johan Bortier, hoofd van de studiedienst van Unizo en gedelegeerd bestuurder ad interim. Hij wordt na Nieuwjaar opgevolgd door Danny Van Assche. "In november hielden we een enquête bij 3000 zelfstandigen. 97 procent van hen antwoordde bevestigend op de vraag of het sociaal statuut van zelfstandigen verder moet verbeteren. Voor 88 procent van de respondenten is dat een belangrijk tot zeer belangrijk thema." 92 procent van de respondenten vindt dat iedereen die in België werkt, gelijkaardige sociale rechten moet hebben, van pensioen over vakantiegeld tot werkloosheid en een regeling rond arbeidsongeschiktheid. Uit de enquête blijkt ook dat 77,61 procent van de zelfstandigen meent dat de sociale rechten niet in verhouding staan tot de sociale bijdragen. "Dat resultaat sluit aan bij een andere enquête die we eerder hielden naar aanleiding van De dag van de Ondernemer", zegt Bortier. "Op de vraag wat mensen doet twijfelen om te starten als ondernemer, kwam de onzekerheid over het inkomen op de eerste plaats, met 47 procent. Daarna volgde met 45 procent het sociaal statuut. Als we iets willen doen aan ondernemerschap, moeten we ervoor zorgen dat het sociaal statuut van zelfstandigen sterk genoeg is." Maar in het debat over dat sociaal statuut is vaak te horen dat de sociale bescherming van zelfstandigen soberder is omdat ze minder sociale bijdragen betalen. Voor hen geldt een systeem van degressieve sociale bijdragen: wie een hoger inkomen heeft, betaalt procentueel minder bijdragen. Concreet betaalt een zelfstandige in hoofdberoep vanaf volgend jaar 20,5 procent op zijn jaarinkomen tot 57.415,67 euro en 14,16 procent op de volgende inkomensschijf tot 84.612,53 euro. Daarboven hoeft hij of zij geen sociale bijdragen te betalen. Op het loon van een werknemer wordt een werknemersbijdrage van 13,07 procent betaald en een werkgeversbijdrage van 25 procent. Johan Bortier is niet onder de indruk: "De werkgeversbijdragen worden betaald door het bedrijf. Bij mijn weten is de bedrijfsleider een zelfstandige. Er zijn vaak situaties waarin zelfstandigen meer sociale bijdragen betalen dan een werknemer die van tal van bijdrageverminderingen geniet. Ik geef nog een voorbeeld: bij werknemers bestaat een derde van de loopbaan uit gelijkgestelde periodes, waarin niet gewerkt wordt en geen bijdragen worden betaald maar toch pensioenrechten worden opgebouwd. Bij de zelfstandigen is dat slechts 4 procent van de loopbaan." "Je mag niet vergeten dat de vergrijzing een minder grote impact heeft op het zelfstandigenstelsel", vult Caroline Deiteren van de Unizo-studiedienst aan. "Bovendien doen werknemers proportioneel veel vaker een beroep op zaken als arbeidsongeschiktheid dan zelfstandigen. Van de duizend werknemers maken er jaarlijks honderd gebruik van het stelsel van arbeidsongeschiktheid. Bij zelfstandigen is dat tien op de duizend. Het stelsel voor zelfstandigen is veel soberder, niet alleen door de beperktere rechten maar ook omdat veel minder gebruik wordt gemaakt van de rechten die er wel zijn." Deiteren wijst er nog op dat de sociale zekerheid van de zelfstandigen er veel beter voorstaat dan die van de werknemers. Die boekt al een aantal jaren overschotten van 100 miljoen euro per jaar: "De evenwichtsdotatie, hetgeen de overheid bijlegt om het tekort weg te werken in de sociale zekerheid, bedraagt bij de werknemers miljarden euro's. Bij de zelfstandigen nul." Dus vinden ze bij Unizo het pleidooi voor een royalere sociale bescherming voor de zelfstandigen terecht. Uit de enquête blijkt dat 91 procent van de zelfstandigen vindt dat Unizo prioritair moet inzetten op de verbetering van hun pensioen. Het gemiddelde pensioen van een zelfstandige bedraagt 857 euro per maand. Bij een werknemer is dat 1200 euro en bij een ambtenaar 2600 euro. 92 procent van de zelfstandigen wil dezelfde pensioenformule als de werknemers. In het stelsel voor zelfstandigen zorgt een correctiecoëfficiënt ervoor dat wat de zelfstandige ontvangt, slechts 66 procent bedraagt van de pensioenrechten die een werknemer met hetzelfde inkomen opbouwt. Dat is een van de belangrijkste redenen waarom het pensioen van zelfstandigen zo laag is. "Unizo vraagt de afschaffing of op zijn minst de afbouw van die correctiecoëfficiënt", stelt Bortier. "Dat past in het proces om de pensioenstelsels gelijkwaardig te maken. Als je die coëfficiënt onmiddellijk afschaft, kost dat 1 miljard euro. Dat is veel. Laten we dus de weg van geleidelijkheid bewandelen en die coëfficiënt afbouwen op jaarbasis. We zouden de correctiecoëfficiënt kunnen afschaffen voor de gewerkte jaren vanaf 2019. Dan kunnen de toekomstige gepensioneerden ervan genieten. Na vijf jaar kost dat amper 15 miljoen euro, tegen 2040 gaat het om 340 miljoen euro. Dat is niet zo veel in vergelijking met de totale pensioenuitgaven, die in diezelfde periode met 10 miljard euro toenemen." Een andere mogelijkheid is dat zelfstandigen meer sociale bijdragen betalen in ruil voor eenzelfde pensioenformule als de werknemers. Al is volgens de enquête niet eens de helft daartoe bereid. "Toch sluiten wij een beperkte verhoging van de bijdragen niet uit", zegt Bortier. Door de taxshift zijn de bijdragen voor zelfstandigen verlaagd van 22 naar 20,5 procent (voor 2018). Dat kost 220,8 miljoen euro. Volgens het Planbureau heeft die verlaging er niet toe geleid dat meer mensen zelfstandig zijn geworden. "Een bijdrageverlaging is altijd een goede zaak", meent Bortier. "Maar misschien kunnen die bijdragen opnieuw worden verhoogd, in ruil voor een verbetering van het pensioenstatuut."