De loongegevens uitsplitsen volgens geslacht was voor de minister van Werk en Gelijke Kansen de 'belangrijkste prioriteit' in de wet van 22 april 2012 ter bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen. Die wet had een dubbele bedoeling: de nodige cijfergegevens blootleggen, maar ook "de bedrijven en de sectoren op het probleem van de loonkloof attent maken en de transparantie van de loonvorming bevorderen". De jaarrekeningen over 2013 geven voor het eerst de mogelijkheid de loonkloof tussen mannen en vrouwen te kwantificeren, althans voor de grote ondernemingen.
...

De loongegevens uitsplitsen volgens geslacht was voor de minister van Werk en Gelijke Kansen de 'belangrijkste prioriteit' in de wet van 22 april 2012 ter bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen. Die wet had een dubbele bedoeling: de nodige cijfergegevens blootleggen, maar ook "de bedrijven en de sectoren op het probleem van de loonkloof attent maken en de transparantie van de loonvorming bevorderen". De jaarrekeningen over 2013 geven voor het eerst de mogelijkheid de loonkloof tussen mannen en vrouwen te kwantificeren, althans voor de grote ondernemingen. De sociale balansen delen de personeelskosten op volgens geslacht, het gemiddelde aantal werknemers en het aantal uren dat effectief gepresteerd werd, waardoor we de loonkloof per voltijdse werknemer kunnen berekenen. Voor het hele land is ze 10,2 procent. Maar er zijn verschillen per gewest. In Wallonië kost een mannelijke werknemer amper 1,8 procent meer dan zijn vrouwelijke collega. In Vlaanderen stijgt de kloof tot 12,7 procent en in Brussel piekt ze op 14,6 procent. Een deel van dat verschil wordt natuurlijk verklaard door de aard van de activiteit. De financiële sector, bijvoorbeeld, die in Brussel geconcentreerd zit, betaalt duidelijk beter dan de distributie. Op individueel niveau is tijd een andere factor die het verschil maakt. Mannen werken gemiddeld 1528 uur per jaar, vrouwen 1465 uur. Het verschil van 4,3 procent kan als normaal beschouwd worden omdat het in grote mate verklaard wordt door de lengte van het zwangerschapsverlof. De vertekening kan gemakkelijk weggewerkt worden als we de loonkosten per gepresteerd uur berekenen. Het nationale verschil tussen mannen en vrouwen daalt dan naar 5,6 procent. Dat is verwonderlijk omdat de vrouwen die voltijds werken meer gekwalificeerd zijn dan de mannen. Meer dan vier op de tien vrouwen hebben een diploma hoger of universitair onderwijs. Mannelijke werknemers met een gelijkwaardig diploma zijn met minder dan 28 procent. Dat nationale gemiddelde schommelt per gewest. Het plafonneert op 8,1 in Vlaanderen en op 8,6 procent in Brussel. In Wallonië neigt het naar een evenwicht met 0,7 procent. De cijfers worden er naar boven getrokken door de uitstekende score van Waals-Brabant, de enige provincie van het land waar vrouwen gemiddeld meer verdienen dan mannen. De loonkosten van de vrouwen zijn er 2,9 procent groter dan die van de mannen. Komt daar nog bij dat de loonspanning in Wallonië groter is dan elders: 48 procent per uur tussen Waals-Brabant en Namen voor de mannen, 72 procent tussen Waals-Brabant en Luxemburg voor de vrouwen. De loonkloof verschilt ook volgens de grootte van de onderneming. In kleine ondernemingen bedraagt ze slechts 3,4 procent. In grote bedrijven, waar beduidend minder lang gewerkt wordt, is dat dubbel zoveel (6,7%). Tussen ondernemingen met minder of meer dan 250 werknemers is het verschil in werktijd 77 uur per jaar voor de mannen en 98 uur per jaar voor de vrouwen. TONY COENJAERTS