John Maynard Keynes en Milton Friedman domineerden sinds 1935 het hele economische debat. Tussen 1935 en 1965 zat John Maynard Keynes aan het stuur, de zeer Engelse, aan Eton opgevoede zoon van een vooraanstaande academicus. De daaropvolgende 35 jaar werden gedomineerd door de zeer Amerikaanse Milton Friedman. Hij was de zoon van eenvoudige joden en werd opgeleid aan de universiteiten van Rutgers en Chicago", schrijft de econoom-historicus Deirdre McCloskey.
...

John Maynard Keynes en Milton Friedman domineerden sinds 1935 het hele economische debat. Tussen 1935 en 1965 zat John Maynard Keynes aan het stuur, de zeer Engelse, aan Eton opgevoede zoon van een vooraanstaande academicus. De daaropvolgende 35 jaar werden gedomineerd door de zeer Amerikaanse Milton Friedman. Hij was de zoon van eenvoudige joden en werd opgeleid aan de universiteiten van Rutgers en Chicago", schrijft de econoom-historicus Deirdre McCloskey. "In de dertig jaar na 1935 dachten de meeste mensen dat een of andere vorm van socialisme onvermijdelijk was omdat John Maynard dat overtuigend verkondigde. Sinds 1965 gingen steeds meer mensen geloven dat kapitalisme niet alleen onvermijdelijk was, maar ook wenselijk, in belangrijke mate omdat Milton die boodschap zo overtuigend bracht", zegt McCloskey, die in 1968 door Friedman naar de University of Chicago werd gehaald en er tot 1980 zou blijven. McCloskey liet er in diverse gesprekken met mij niet de minste twijfel over bestaan dat Milton Friedman "een collega was die me op diverse momenten erg geholpen heeft en voor wie ik als persoon, als econoom en als intellectueel een enorme waardering heb". Tegelijk benadrukt McCloskey dat ze "het werk van John Maynard Keynes een fascinerend labyrint vindt, in elkaar geknutseld door een geniaal man die misschien juist daardoor voor ons gewone stervelingen niet altijd even consequent overkomt". De tijdslijn van McCloskey kan je tot voorbij 2000 doortrekken. De eerste jaren van de 21ste eeuw waren in bokstermen nog duidelijk voor Milton Friedman en zijn erg geprofileerde gedachtegoed over de vele maatschappelijke voordelen van een vrijemarkteconomie. Friedman won op punten, met een tendens tot knock-out voor de wankelende intellectuele tegenstanders. De financiële crisis van 2007-'09 en de lange nasleep ervan gaven aanleiding tot een wonderbaarlijk herstel van de vechtlust en de punchkracht van die tegenstanders. Deze keer ging Friedman de touwen in, stevig aangeslagen door de mokerslagen waarvoor de aanvallers in belangrijke mate inspiratie en kracht zochten en vonden in het werk van John Maynard Keynes. Ondanks de karrenvrachten aan boeken die eerder al waren geschreven over Keynes, doken vanaf 2010 met grote snelheid nieuwe titels op over de man, zijn ideeën en de relevantie ervan voor de eerste grote financieel- economische crisis van de 21ste eeuw. Friedman was 'out', Keynes was 'back', big time. (...) Milton Friedman (1912-2006) zette zich niet zozeer af tegen Keynes (1883-1946), maar wel tegen zijn volgelingen, de keynesianen. Zij kwamen tot een mechanistische benadering waarin ze het economische systeem concipieerden als een complex hydraulisch mechanisme. Daarbij kan de overheid via handige manipulaties van vooral de overheidsbegroting tot het gewenste resultaat van economische groei, inflatie en werkgelegenheid komen. De meest expliciete uitdrukking van deze visie op het economische beheer kwam er in een artikel in de American Economic Review van maart 1960. De auteurs waren Paul Samuelson en Robert Solow, twee vooraanstaande Amerikaanse keynesianen en beiden winnaars van de Nobelprijs voor de Economie, in 1970 en in 1987. Milton Friedman definieerde die mechanistische aanpak als onwerkbaar en onwenselijk. Hij ontwikkelde zijn eigen macro-economische denkschema, dat in tegenstelling tot de overheersende visie van de keynesianen de nadruk legde op een aan strikte regels gebonden sturing van het monetaire beleid. De economische gang van zaken in de jaren zeventig en tachtig bewees dat Friedmans kritiek op de keynesiaanse leer correct was. Toen Friedman en Anna Schwartz aan het begin van de jaren zestig hun analyse van de Amerikaanse monetaire geschiedenis van de VS, en van de Grote Depressie in het bijzonder, publiceerden, viel dat bij een grote meerderheid van de economen niet in goede aarde. Het overheersende gedachtegoed bij de economen van die periode hing nauw samen met de theorieën van Keynes. Keynes trok in zijn historische boek The General Theory of Employment, Interest and Money uit 1936 heftig van leer tegen de klassieke economische leer, die terugging tot de inzichten van de verlichtingsfilosoof Adam Smith (1723-1790) in diens magnum opus, An Inquiry into the Nature andCauses of the Wealth of Nations. De voormalige economische columnist van The New York Times, Larry Silk, schreef in 1976: "Adam Smith is de vader van de moderne economische analyse en Milton Friedman is zijn meest vooraanstaande erfgenaam." Friedman beaamde dat tegenover mij voluit. "De inzichten van Adam Smith in marktwerking, in de rol van prijzen en die van de onzichtbare hand van de vrije concurrentie zijn van bijzonder groot belang voor het welzijn van de mensheid. Voor mij is Smith een levenslange, onuitputtelijke bron van inspiratie geweest." Elke korte samenvatting doet afbreuk aan de rijkheid van de analyse neergelegd door Keynes en Smith in de beide geciteerde werken, die ook nu nog druk gelezen worden. (...) De kritiek die Friedman formuleerde op de keynesiaanse visie op de economie, draaide om twee fundamentele vragen. Wat bepaalt nu écht de gang van zaken in de economie en hoe kunnen we de werkloosheid oplossen? Keynes ging er bij de eerste vraag vanuit dat de Grote Depressie zich kon doorzetten als gevolg van een structurele afname van de algemene vraag in de economie. Keynes gaf in die analyse veel aandacht aan de investeringen als een belangrijk, maar aan grote schommelingen onderhevig onderdeel van de globale vraag. De keynesianen van de jaren vijftig en zestig verhieven de algemene vraag zonder veel verdere nuancering tot de grote aanjager van de economische groei en de werkgelegenheid. Het is aan de overheid om ervoor te zorgen dat die algemene vraag voldoende blijft om de economie zo dicht mogelijk bij een toestand van volledige werkgelegenheid te houden. Zeker de eerste keynesianen lagen absoluut niet wakker van problemen die konden ontstaan als gevolg van voortdurende begrotingstekorten en oplopende overheidsschuld. Ook de mogelijkheid dat het keynesiaanse beleid de inflatie zou aanwakkeren, stond niet echt op de agenda. Als er dan toch een groei van de inflatie kwam, dan kon dezelfde overheid die via loon- en prijscontroles in de kiem smoren. De conclusies waar Friedman geleidelijk toe kwam, stonden vrijwel diametraal tegenover deze keynesiaanse visie. Hij toonde zich een fel tegenstander van loon- en prijscontroles omdat die de normale marktwerking ontregelden en niks te maken hadden met de basisoorzaak van inflatie: de overmatige geldcreatie door de centrale bank. Voor zijn wetenschappelijke en beleidsmatige conclusies kon Friedman terugvallen op de twee grote researchprojecten waarvan hij gedurende de jaren vijftig en zestig de grote bezieler was. Het eerste was het werk dat hij samen met Anna Schwartz had verricht en dat resulteerde in hun klassieker A Monetary History of the United States. Het tweede grote project was de research tijdens de workshopsessies die onder leiding van Friedman plaatsvonden aan de University of Chicago. Friedman concludeerde uit dit verzamelde onderzoekswerk dat wat er in de economie gebeurt in de eerste plaats wordt bepaald door de ontwikkeling van de geldhoeveelheid die in omloop is in de economie, en niet, zoals de keynesianen beweerden, de herzieningen van de begroting aan de hand van de ontwikkeling van de algemene vraag in de economie. "Als je aandachtig keek naar periodes waarin zowel het begrotingsbeleid als de geldhoeveelheid die in omloop was belangrijke wijzigingen onderging, dan kon je keer op keer vaststellen dat de effecten van de wijzigingen in de geldhoeveelheid zwaar domineerden", stelde Friedman. De analyse van Friedman liet zien dat vooral het monetaire beleid van de centrale banken en niet het budgettaire beleid van de politieke overheden van doorslaggevend belang was voor de ontwikkeling van de economie. Maar het vloeken in de keynesiaanse kerk stopte niet bij deze constatering. Weer op basis van zijn onderzoek en dat van collega's en studenten aan de University of Chicago raakte Friedman steeds meer overtuigd van de inherente stabiliteit van een vrijemarkteconomie. Met dat inzicht sloot Friedman weer aan op de klassieke economische traditie zoals die in de eerste plaats belichaamd wordt door Adam Smith. De Grote Depressie vormde voor Friedman een duidelijke illustratie van hoe vooral onoordeelkundig beleid van de overheid er toe leidde dat de correctiemechanismen van een vrijemarkteconomie zich niet of onvoldoende konden doorzetten, met als resultaat een gewone recessie die een dramatische depressie met verregaande maatschappelijke gevolgen werd. Friedman kwam tot een dubbele conclusie: de overheid moet zich niet alleen onthouden van een actief begrotingsbeleid ter stabilisering van de economie, zij moet zich concentreren op een stabiliserend monetair beleid. Vandaar de aanbeveling van Friedman om het monetaire beleid heel voorspelbaar te maken en volledig op te hangen aan een strikt te volgen regel: een voortdurende groei van de geldhoeveelheid die in omloop is in de economie. In zijn Program for Monetary Stability (1960) werkte Milton Friedman deze beleidsregel voor het eerst volledig uit. In zijn presidentiële toespraak van eind 1967, tot de American Economic Association, getiteld 'The Role of Monetary Policy', kreeg de Friedman-regel zijn definitieve uitdrukking. Friedmans visie dat het monetaire beleid een specifieke regel strikt moet volgen, was omstreden toen hij er in de jaren zestig mee kwam en blijft dat tot vandaag. Het meest spraakmakende beleidsexperiment dat is gebaseerd op het zogenaamde monetaristische principe van het strikte beheer van de geldhoeveelheid die in omloop is op basis van een regel, vond plaats aan het begin van de jaren tachtig in de VS. De voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, Paul Volcker, ging de uit de hand lopende Amerikaanse inflatie te lijf met een door Friedman geïnspireerd monetair beleid. Ten koste van een zware recessie kon Volcker het inflatiebeest bedwingen en zo de basis leggen voor een langdurige periode van voorspoedige expansie van de Amerikaanse economie. Achteraf bleek dat Volcker zich vooral verbaal bediende van de monetaire principes van Friedman om het monetaire beleid in de gewenste plooi te gieten. Friedman slaagde er in ieder geval in om de monetaire factor, totaal verwaarloosd en zelfs geminacht door de keynesianen, te rehabiliteren. Franco Modigliani (1918-2003), de winnaar van de Nobelprijs voor Economie in 1985 en een gematigde keynesiaan, verklaarde in 1977: "Milton Friedman werd ooit geciteerd met de woorden: ' We're allkeynesians now'. Ik ben bereid om nu te stellen: ' We're allmonetarists now', in de zin dat het nu wel duidelijk is dat de geldhoeveelheid die in omloop is een erg belangrijke rol speelt in de bepaling van wat er met de productie en de prijzen in de economie gebeurt." Lawrence Summers, hoogleraar aan Harvard University en minister van Financiën onder president Bill Clinton, voegt daaraan toe: "Milton Friedman was de baarlijke duivel tijdens mijn studentenjaren. Maar geleidelijk groeide er respect, al was het aanvankelijk met enige tegenzin. Later viel ook die tegenzin weg en restte er alleen groot respect." Johan Van Overtveldt. Red de vrije markt, De terugkeer van Milton Friedman. De Bezige Bij, 222 blz.JOHAN VAN OVERTVELDTFriedman liet zien dat vooral het monetaire beleid en niet het budgettaire beleid van doorslaggevend belang is voor de economie. "Voor mij is Adam Smith een levenslange, onuitputtelijke bron van inspiratie geweest" Milton Friedman Friedman slaagde er in ieder geval in om de monetaire factor, totaal verwaarloosd en zelfs geminacht door de keynesianen, te rehabiliteren.