Red de welvaartsstaat. Maar hoe? Noem het een geluk bij een ongeluk, maar het grote voordeel van de hele reddingsoperatie is dat we grotendeels weten wat er op ons afkomt en dat we zelfs weten wat we moeten doen om onze welvaart te verdedigen en zelfs verder uit te bouwen. Diagnose en remedie zijn bekend.
...

Red de welvaartsstaat. Maar hoe? Noem het een geluk bij een ongeluk, maar het grote voordeel van de hele reddingsoperatie is dat we grotendeels weten wat er op ons afkomt en dat we zelfs weten wat we moeten doen om onze welvaart te verdedigen en zelfs verder uit te bouwen. Diagnose en remedie zijn bekend. Dit zijn twaalf maatregelen die onze welvaartsstaat kunnen redden van de ondergang. We delen de remedies op in vier delen: werken aantrekkelijker maken, de overheidsuitgaven onder controle houden, de economische groei ondersteunen, en inspelen op de verschillende noden tussen Vlaanderen en Wallonië. Werk, werk en nog eens werk. Dat is de koninklijke hoofdweg om de vergrijzing en de welvaartsstaat betaalbaar te maken. Volledige werkgelegenheid is een essentiële voorwaarde, niet alleen om de welvaartsstaat te financieren, maar ook om zijn bestaan zelf te legitimeren. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw is deze voorwaarde echter niet langer vervuld. Dat is wellicht de grootste crisisfactor van de welvaartsstaat. De Belgische werkgelegenheidsgraad blijft maar schommelen rond de 60 % (dat betekent dat van elke tien Belgen op arbeidsleeftijd er maar zes aan de slag zijn), en dat is veel te laag. Om de welvaartsstaat te betalen én te verantwoorden, moeten er minstens zeven van de tien aan de slag zijn. Dat betekent voor België de creatie van ongeveer 660.000 bijkomende arbeidsplaatsen. Te veel mensen stappen vandaag uit de arbeidsmarkt omdat ze een in de tijd onbeperkte werkloosheidsuitkering of interessante brugpensioenformule hebben. Te veel mensen halen hun neus op voor de arbeidsmarkt omdat ze er financieel aan toeschieten als ze hun uitkering(en) inruilen voor een betaalde, maar zwaar belaste(nde) job. Daarom eerst vijf maatregelen om werken aantrekkelijker te maken. In geen enkel ander Europees land doet de fiscus een grotere aanslag op de vrucht van arbeid dan in België. Het logische gevolg is dat de Belgische loonkosten tot de hoogste van Europa behoren. Onze handicap tegenover onze drie buurlanden is opgelopen tot 8 % à 11 %, afhankelijk van de berekeningswijze. Dat kostte de Belgische economie van 1990 tot nu ongeveer 300.000 jobs. Om die loonhandicap weg te werken, zijn er drie mogelijkheden: een drastische verlaging van de parafiscale lasten op arbeid, de stijging van de brutolonen langdurig aan banden leggen, of meer uren werken voor hetzelfde loon. Uit onderzoek blijkt dat een verlaging van de sociale bijdragen voor lage lonen het grootste jobeffect heeft. Wat niet belet dat ook een algemene verlaging en zelfs een specifieke verlaging voor hoge lonen nuttig is. Zeker in een economie die meer en meer een kenniseconomie moet worden. De fiscale druk op arbeid moet sowieso fors lager. De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Edward Prescott heeft berekend dat de Europeanen minder lang en minder hard werken dan de Amerikanen, alleen omdat hun noeste arbeid meer belast wordt dan die van hun Amerikaanse collega's. De gevolgen van die vaststelling zijn verstrekkend. De welvaartsstaat en de kostprijs van de ver-grijzing kunnen niet langer betaald worden met stijgende belastingen. Want als de belastingen stijgen, stappen mensen uit de arbeidsmarkt. De toekomstige factuur kan alleen betaald worden door de belastingdruk op arbeid te verlagen. Maar uiteindelijk maakt het type van belasting niet veel uit, ze wegen allemaal op de economische activiteit. A tax is a tax is a tax. Het is de totale fiscale druk die van tel is. Toch wint de idee veld om de financiering van de sociale bescherming op een andere leest te schoeien. Die alternatieve financiering bestaat er precies in om lasten op arbeid te vervangen door andere belastingen. De regering is voorzichtig bezig met het verschuiven van de lasten, maar verzwijgt wijselijk de zware implicatie van dat beleid: de inkrimping van de sociale bescherming. Want als iedereen mee moet betalen voor de sociale bescherming, dan worden ook zij die het moeten rooien met een pensioen of werkloosheidsuitkering mee in het bad getrokken. Toch is dit beleid toe te juichen: we moeten absoluut meer mensen aan de slag krijgen. En de beste manier om dat te doen, is werken financieel aantrekkelijker maken. Op termijn wordt iedereen daar beter van. België draagt de trieste rode lantaarn inzake de tewerkstelling van 50-plussers. Het debat over het loopbaaneinde moet daar paal en perk aan stellen. Er mogen eigenlijk slechts twee categorieën van vijftigplussers overblijven: zij die werken en zij die werk zoeken. De overheid moet daarom stoppen met vervroegde uittreding financieel te stimuleren - dat is een totaal verkeerde investering van schaarse middelen. Het gaat niet alleen om het brugpensioen, maar ook om nog vier andere systemen: vrijgestelde oudere werklozen, tijdskrediet, arbeidsongeschiktheid en vervroegde pensionering. Uitstapsystemen werken als communicerende vaten: zodra een bepaald vat overloopt, loopt een ander vat vol. De links tussen deze vaten moeten worden gedicht, en het hele systeem van vervroegde uittreding moet eenduidig en eenvoudig worden. De vervroegde uittreding is echter een verworven recht geworden. Bij veel werknemers begint het aftellen zodra ze de veertig een tijdje gepasseerd zijn. Die mentaliteit wijzigen, zal niet lukken met vrijwillige, 'zoete' maatregelen. Er moeten dwingende, 'zure' acties genomen worden. De Belg gaat gemiddeld op 58,7 met pensioen. Dat is veel te vroeg. De overheid kan de mensen op twee manieren motiveren om de beslissing om de arbeidsmarkt definitief vaarwel te zeggen uit te stellen. Dat kan ten eerste door langer werken aantrekkelijker te maken (via een bonus) en ten tweede door de vervroegde uittreding te bestraffen (via een malus). De combinatie van beide is aangewezen. De wortel én de stok zijn nodig om mensen aan de slag te houden. De bonus kan verdiend worden per bijkomend gewerkt jaar na een carrière van veertig jaar. Merk daarbij op dat niet langer de leeftijd, maar wel de loopbaan of het aantal gewerkte jaren beslissend moet worden voor het moment van pensionering. De invoering van een pensioenmalus zal op veel meer weerstand botsen, maar is onvermijdelijk om mensen langer aan de slag te houden. Een pensioenmalus van 5 % - voor elk jaar van vervroegde uittreding daalt het pensioen met 5 % - maakt de keuze tussen verder werken of vervroegd met pensioen gaan financieel neutraal. Ten slotte is het ook aangewezen om in het pensioenstelsel rekening te houden met de stijgende levensverwachting. Dat gebeurt bijvoorbeeld al in Zweden. Wie daar nu op zijn 65ste met pensioen gaat, krijgt meer dan iemand die nu op zijn 62ste met pensioen gaat, maar ook meer dan een leeftijdsgenoot die in 2030 met pensioen gaat. De normale pensioenleeftijd moet op de levensverwachting geïndexeerd worden. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) moedigt België al jaren aan om deze stap te zetten. De beperking van de uitkering in de tijd zal de werkbereidheid van de werklozen verhogen, en een job financieel interessanter maken. Het is van groot belang dat mensen snel uit de werkloosheid ontsnappen. België heeft helaas bewezen dat langdurig werklozen een verloren groep voor de arbeidsmarkt zijn. Onbeperkte uitkeringen zijn daarom ook een verkeerde investering van belastinggeld: ze houden mensen van de arbeidsmarkt, terwijl het beleid het omgekeerde moet nastreven. Mensen die niet langer in aanmerking komen voor werkloosheidsuitkeringen moeten dan een beroep doen op de bijstandssystemen. Het grote verschil is dat die niet individueel zijn en dat dus steeds de familiale inkomenstoets wordt doorgevoerd. Er moet dan wel voor gezorgd worden dat die bijstandsuitkeringen hoog genoeg liggen. Bovendien is de beperking in de tijd de sleutel om ervoor te zorgen dat de uitkeringen op een voldoende hoog niveau kunnen worden gehouden. Bij de begeleidingsprogramma's die aangeboden worden aan werklozen moet België ook minder inzetten op directe subsidies en meer op vorming in combinatie met werkervaring (korte periodes van werk in de openbare sector). Uit internationaal onderzoek blijkt dat gerichte opleiding vaak de aangewezen methode is. Ouderschap en carrière zijn nog altijd heel moeilijk verzoenbaar. Jonge ouders moeten vaak alles in dezelfde tijdsspanne klaarspelen: carrière maken, kinderen opvoeden en het huis afbetalen. Loopbaan en leven moeten beter op elkaar afgestemd worden. Het moet bijvoorbeeld mogelijk worden om een paar jaar goed betaald ouderschapsverlof te nemen, in de wetenschap dat je in de herfst van je carrière langer zal moeten werken om dezelfde pensioenrechten op te bouwen als iemand die geen ouderschapsverlof neemt. Scandinavië investeert vooral in basisscholen en voor- en naschoolse opvang die afgestemd is op de arbeidstijden. Het Angelsaksische model valt terug op een uitgebouwde persoonlijke dienstverlening. Het corporatistische model zoekt zoals in België en Nederland vooral heil in verlofregelingen. We hebben eigenlijk een combinatie van al deze maatregelen nodig om de participatie van vooral de vrouwen op de arbeidsmarkt op te krikken. Zij hebben nog altijd de neiging om, tijdelijk of gedeeltelijk, uit de arbeidsmarkt te stappen om hun kinderen op te voeden. De vrouwelijke arbeidsparticipatiegraad is in België in elk geval nog bijzonder laag. De maatschappij kan er wel bij varen als de vrouwen vaker de weg naar de arbeidsmarkt vinden. Vrouwen zijn niet alleen nodig in de wedloop om de vergrijzingskost betaalbaar te maken, de vraag naar vrouwelijke arbeid neemt ook overhand toe. Vroeger was de economie grotendeels gebaseerd op spierkracht, maar de kenniseconomie eist meer communicatievaardigheden en emotionele intelligentie. De vraag naar mannen daalt daarom, en dus moeten zij meer helpen in het gezin. Maatregelen twee tot en met vijf kosten geen of weinig geld. Meer nog, ze houden of een fikse besparing in, en/of een investering in toekomstige inkomsten voor de schatkist via de creatie van een pak nieuwe arbeidsplaatsen. Die extra inkomsten zijn een must om de eerste maatregel te financieren (de verlaging van de fiscale druk). Die maatregel is duur op korte termijn, maar op lange termijn mag ook hier op een hoog terugverdieneffect gerekend worden. De extra inkomsten zijn ook welkom om nog een andere prioritaire opdracht tot een goed einde te brengen: de begroting moet snel naar een structureel overschot evolueren om de staatsschuld snel af te bouwen en de vergrijzing te betalen. De overheid kan die doelstellingen pas met elkaar verzoenen als ze haar uitgaven onder controle weet te krijgen. Dat is momenteel niet het geval. De regering deed op dit vlak geen inspanningen, wel integendeel. Het beleid van de jongste jaren, gespekt met stijgende sociale uitgaven, heeft bijvoorbeeld in vergelijking met 2000 de kostprijs van de vergrijzing bijna verdubbeld. Intussen is het nu al alle hens aan dek om de uitgavenstijging in de gezondheidszorg in te dammen, terwijl de gezondheidsrevolutie nog maar net begonnen is. De staat keert niet alleen te veel uit, hij verteert ook te veel werkingskosten. De ontvetting van het bestuursapparaat staat echter niet op de agenda. Het meest acuut is de snel stijgende factuur van de gezondheidszorg. Daarom de drie volgende maatregelen. De overschrijding van het budget in de ziekteverzekering bedroeg in 2004 niet minder dan 513 miljoen euro. Voor die toestand zijn twee verklaringen: onderbudgettering én overconsumptie. Met speciale besparingsmaatregelen en met volmachten voor de minister van Sociale Zaken, probeert de regering de uitgavengroei in 2005 drastisch te beperken zodat de meer-uitgaven van vorig jaar worden gecompenseerd. Sommige besparingsmaatregelen maken eindelijk werk van een harde responsabilisering van de sector. Tot op heden trachtte de overheid met zachte hand de artsen, patiënten, ziekenhuizen en geneesmiddelenindustrie te stimuleren tot rationeel gebruik van de middelen in de gezondheidszorg. Die aanpak bracht weinig verbetering. Het is dan ook logisch en noodzakelijk om over te gaan tot een hardere responsabilisering. Sanctiemechanismen - zoals indexaanpassingen koppelen aan geneesmiddelenverbruik, verhoging van het remgeld voor patiënten die rechtstreeks een specialist consulteren - moeten een kenmerk worden van het toekomstige beleid. Zonder stok achter de deur verandert er immers weinig aan het voorschrijf- en consumptiegedrag. Voorwaarde is wel dat de budgetten die de strafmaat bepalen ook realistisch worden opgesteld. Dat veronderstelt een wetenschappelijk onderbouwd beleid. En op dat terrein is nog veel werk aan de winkel. Ideaal zou zijn dat het beleid eerst gezondheidsdoelstellingen bepaalt en daarna de meest kostenefficiënte weg zoekt om die doelstellingen te bereiken. Daarbij moet de financiering per pathologie een sleutelrol krijgen. Op die manier wordt het uitgavenpatroon in de ziekteverzekering minder prestatiegedreven en valt de overconsumptie vanzelf terug. 75 % van de overschrijding in de ziekteverzekering is te wijten aan het verbruik van geneesmiddelen. De regering werkt met de geneesmiddelensector aan een methodologie om te komen tot een meer realistische budgettering. Momenteel wordt de industrie al geresponsabiliseerd via de zogenaamde claw back, een heffing waarbij de farmasector 65 % terugbetaalt van de overschrijding op het geneesmiddelenbudget. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat een realistischer budget de totale uitgaven voor geneesmiddelen in de ziekteverzekering zal laten dalen. Er zijn andere maatregelen nodig om te besparen. Het criterium daarbij mag niet winstmaximalisatie voor de industrie zijn, maar wel een uitgebalanceerd aanbod tegen de gunstigste prijs voor de patiënt. Een snelle toegang tot innovatieve geneesmiddelen moet een doelstelling zijn van een goede gezondheidszorg. Daarom moet de overheid de invoering van een kiwimodel alsnog overwegen. Via een systeem van openbare aanbesteding kan de prijs van oude geneesmiddelen maximaal worden gedrukt. Met het vrijgekomen geld komt er ruimte om de nieuwe geneesmiddelen terug te betalen. Terwijl in de Verenigde Staten al meer dan 14 % van het bruto binnenlands product (BBP) naar gezondheidszorg gaat, komen wij in België toe met goed 9 %. Het aandeel van de patiënt bedraagt daarin 2 %. Sinds 1990 stijgt echter dat aandeel. De patiënt neemt nu al een kwart van de kosten voor zijn rekening. Een uitbreiding van de markt voor aanvullende verzekeringen of privé-ziekteverzekeringen is onvermijdelijk. Patiënten willen immers steeds meer, de toenemend technologische gezondheidszorg is ook steeds duurder. Onze staatsfinanciën kunnen een verdere stijging niet aan. Daarom moet de patiënt meer mogelijkheden krijgen om zich privé aanvullend te verzekeren. Een goed driepijlersysteem kan de gezondheidsfactuur voor de overheid betaalbaar houden zonder dat de patiënt aan kwaliteit moet inboeten. In dat plaatje biedt de overheid een wettelijk verplichte basisverzekering die door de mutualiteiten wordt beheerd. In een financieel toegankelijke tweede pijler - met vooral zogenaamde kleine risico's - wordt dan een aantal behandelingen gedekt via aanvullende verzekeringen, die aangeboden worden door de mutualiteit en privé-spelers. Een eventuele derde pijler wordt alleen door de privé aangeboden, is duurder en richt zich tot de veeleisende gezondheidsconsument. Werk is dus prioriteit nummer één. De waterval van nieuwe jobs die we nodig hebben, is alleen mogelijk als de overheid haar uitgaven in het gareel krijgt, kwestie van de fiscale druk te laten dalen. Komt die waterval er niet, dan dreigt de economische groei op te drogen: van gemiddeld bijna 2 % in de jongste tien jaar tot goed 1 % tegen 2030. Dat betekent dat de economie in een bijna permanente staat van recessie zou terechtkomen. We kunnen de volgende generaties dan niet langer de welvaartswinst garanderen die we zelf mochten ervaren. Het is ook niet verstandig om alle eieren in dezelfde korf te leggen (die van het werk). En mag het iets meer zijn dan 2 % groei? Hoe sneller de groei, hoe draaglijker de kost van de vergrijzing wordt, en hoe minder zuur de te nemen maatregelen zullen smaken. Daarom de volgende vier maatregelen die de economische groei een zetje moeten geven. Er is een alternatief voor minder werken, en dat is productiever worden. Om de welvaart te beschermen in een klimaat van schaarser wordende arbeid is het een voor de hand liggende oplossing om gewoon meer te gaan produceren per hoofd van de bevolking. Productiviteitswinst is het gewapende beton onder de welvaartsstaat. Maar met die productiviteit dreigt het ook mis te gaan. Vijftig jaar lang verkleinde de Europese economie de productiviteitsachterstand op de VS, maar in 1995 keerde het tij verrassend en sindsdien neemt de kloof weer toe. Daarom moet er meer worden geïnvesteerd in onderzoek & ontwikkeling. Vlaanderen geeft vandaag ongeveer 2,63 % van zijn bruto regionaal product aan O&O. België klokt af op 2,2 %. Dat cijfer moet tegen 2010 naar 3 %. En eigenlijk moeten we de lat nog hoger leggen, want de Scandinavische landen hebben die grens al overschreden. En ook de VS spendeert veel meer aan O&O dan de EU-lidstaten. Een goed functionerend onderwijssysteem helpt de productiviteit ook vooruit. Gemiddeld één jaar onderwijs extra zorgt voor een stijging van de output per capita met drie tot zes procent. Efficiënt onderwijs en een bloeiende economie gaan dus hand in hand. Vlaanderen is op de goede weg, maar toch dringen zich tegelijk een aantal maatregelen op. Tegen 2010 moet het aantal vroegtijdige schoolverlaters dalen tot 10 %. Dat kan door de grenzen tussen algemeen onderwijs, technisch en beroepsonderwijs uit te gommen. Bedrijven zijn hopeloos op zoek naar technisch geschoold personeel en dus moet het technisch en beroepsonderwijs geherwaardeerd worden. We moeten ook af van de veronderstelling dat wie een diploma en een job heeft niets meer bij te leren heeft. Door de toegenomen mobiliteit op de arbeidsmarkt is levenslang leren een must. In 2004 volgt 9,5 % van de volwassen beroepsbevolking in België een opleiding. Dat moet in 2010 12,5 % worden, willen we de Europese doelstellingen halen. Migratie is geen wonderoplossing om de vergrijzing en de krimp van de (beroeps)bevolking het hoofd te bieden, maar niettemin is het één stukje van de puzzel. In het beste geval kan migratie de bevolking op peil houden en de vergrijzing verzachten, maar ook migranten worden ouder en moeten vervangen worden door nieuwe migranten. Om het aandeel van de 65-plussers in de bevolking constant te houden van nu tot 2050, is er in België een jaarlijkse instroom van 60.000 migranten nodig. Dat is viermaal meer dan vandaag het geval is. Zijn dergelijke volksverhuizingen onverteerbaar voor de samenleving, dan is een selectieve migratie vanuit economisch standpunt toch meer dan welkom. Arbeidsmigranten zullen wenselijk en nodig zijn om bepaalde lacunes in de arbeidsmarkt op te vullen die onvermijdelijk het gevolg zijn van een krimpende beroepsbevolking. Jonge, goed opgeleide migranten die meteen hun weg vinden op de arbeidsmarkt dragen per saldo bij tot de groei van het overheidsbudget. Deze elf remedies doen elke economie deugd, en kunnen daarom voorgeschreven worden aan zowel Vlaanderen, Wallonië of Brussel. Maar elke patiënt heeft een ander gestel en een ander ziektebeeld. Vlaanderen vergrijst bijvoorbeeld sneller, terwijl het zuiden van het land kampt met een nog veel lagere werkgelegenheid. Het is daarom wijselijk om de dosis of zelfs de aard van het geneesmiddel aan te passen à la tête du client. De ziekteverzekering is verlamd door regionale tegenstellingen. Waalse politici willen niet dat er wordt gepraat over een verdere regionalisering van de gezondheidszorg. Vlaamse politici willen graag hun bevoegdheidspakketten uitbreiden. Nu zit bijvoorbeeld preventie op Vlaams niveau, terwijl de curatieve gezondheidszorg een federaal gegeven is. Dat is niet efficiënt. De invoering van medische richtlijnen zou in theorie de communautaire verschillen moeten uitroeien omdat dan internationaal beschreven klinische paden worden gevolgd. Toch is dat nog een lange weg en is het waarschijnlijk dat elke regio andere accenten zal blijven leggen. Zo kiest Vlaanderen opvallend meer voor thuiszorg dan Wallonië. Om de financieringsbasis zo breed mogelijk te houden en toch regionale variatie mogelijk te maken, dienen we de besteding in de gezondheidszorg te regionaliseren. Binnen zo'n regeling bepaalt en verdeelt de federale overheid het budget voor curatieve gezondheidszorg over de regio's, maar beslissen de regio's hoe ze met dat budget omgaan. Op die manier zitten erkenning en sturing van het aanbod bij dezelfde overheid en wordt het mogelijk om consistenter doelstellingen en beleid op elkaar af te stemmen. Ook doorheen de Belgische arbeidsmarkt lopen regionale grenzen. De verschillen tussen de drie gewesten zijn zelfs zo groot dat een oplossing voor de ene regio niet noodzakelijk goed is voor de andere. In 2004 lag de werkloosheid in België op 8,6 %. Vlaanderen klokte af op 4,5 %, tegen 11 % in Wallonië en 13,6 % in Brussel. Dat betekent dat in Vlaanderen iedereen die wil werken ook een baan heeft, de onvermijdelijke frictiewerkloosheid niet te na gesproken. Met die cijfers in het achterhoofd is het voor Vlaanderen veel belangrijker dan voor de andere gewesten om de momenteel inactieve bevolking te mobiliseren. Vooral het aantal mensen dat wil werken, moet hoger. Bovendien doet Vlaanderen het slechter inzake de tewerkstelling van de oudere werknemers dan Wallonië en Brussel. En ook de vergrijzing zal sneller toeslaan in Vlaanderen. Twee extra redenen waarom Vlaanderen veel meer aan de mobilisering van de arbeidsreserve moet werken dan Wallonië en Brussel dat moeten doen. Aan maatregel 13, de volledige splitsing van de sociale zekerheid, de financiering incluis, denken we niet. Vlaanderen zou plots een pak geld over hebben als het alleen de Vlaamse vleugel van de welvaartsstaat moet financieren, maar maatregel 13 zou heel ongelukkig uitpakken voor Wallonië en Brussel. Er dreigt een sociaal kerkhof als het zuiden van het land van vandaag op morgen zijn vleugel van de welvaartsstaat zou moeten betalen. De transfers van Noord naar Zuid zijn in hoofdzaak te wijten aan de inkomensverschillen tussen Vlaanderen en Wallonië, en niet zozeer aan een verschillend uitgavenpatroon. De transfers zullen opdrogen als de Waalse economie sneller groeit en meer jobs creëert. Neem daarom de eerste 12 maatregelen, en nummer 13 zal op termijn geen ravage meer aanrichten. Roeland Byl, Daan Killemaes, Alain Mouton, Guido Muelenaer