Het bruto binnenlands product (bbp) van Duitsland ging in de periode 2008-2009 met 4 procent achteruit. Dat is twee keer zoveel als in de Verenigde Staten. Toch steeg de werkgelegenheid er met 0,7 procent, terwijl die in de VS een duik van 5,5 procent nam. Duitse politici zien een verklaring in de Kurzarbeit.
...

Het bruto binnenlands product (bbp) van Duitsland ging in de periode 2008-2009 met 4 procent achteruit. Dat is twee keer zoveel als in de Verenigde Staten. Toch steeg de werkgelegenheid er met 0,7 procent, terwijl die in de VS een duik van 5,5 procent nam. Duitse politici zien een verklaring in de Kurzarbeit. Kurzarbeit is de Duitse praktijk die erin bestaat federale subsidies te geven aan ondernemingen die vrijwillig het aantal arbeidsuren van hun werknemers verlagen, maar ze tegelijkertijd wel in dienst houden. Dat is wellicht de bekendste van de rist werktijdverkortingsmaatregelen die tijdens een recessie toegepast worden. Maar zulke maatregelen verklaren slechts gedeeltelijk waarom de evolutie van de werkgelegenheid in vele landen, waaronder Duitsland, zo nadrukkelijk afweek van de productiecijfers. Andere redenen staan bijvoorbeeld in de jaarlijkse 'Employment Outlook' van de OESO die op 7 juli gepubliceerd werd. Om de netto-impact bijeen te sprokkelen, vergelijkt de OESO de werkgelegenheid in de afzonderlijke landen met de mate waarin tot werktijdverkorting werd overgegaan. De organisatie komt tot het besluit dat de permanente tewerkstelling op die manier gemiddeld met 0,4 procent werd aangezwengeld. De impact liep sterk uiteen, van 1,3 procent in België tot nul procent in Noorwegen. De OESO schat die netto-impact voor Duitsland op 220.000 arbeidsplaatsen. Dat komt overeen met een verhoging van de permanente tewerkstelling met 0,75 procent, voldoende om in dat land de volledige toename van de werkgelegenheid tussen het vierde kwartaal van 2007 en het einde van 2009 te dekken. Welk pad het economisch herstel opgaat, hangt allicht deels af van de vraag of de werkgelegenheid vooral in stand gehouden werd door beslissingen van de ondernemingen zelf, dan wel door overheidssubsidies. Werktijdverkortingsmaatregelen hebben immers een verstorende invloed: ze kunnen de groei en de productiviteit fnuiken zodra het herstel op gang komt, omdat ze werknemers ontmoedigen om over te stappen van wegkwijnende naar groeiende sectoren. Bedrijven die vrijwillig werknemers hamsteren doen dat omdat ze verwachten dat ze hen nog nodig zullen hebben wanneer de economie opleeft, maar ook omdat ze ooit zwaar geïnvesteerd hebben in hun opleiding en de kostprijs van hun vervanging niet willen dragen. Dat wijst dus tevens op een eerder optimistische toekomstvisie. Als de werkgelegenheid straks opveert, gebeurt dat om uiteenlopende redenen. In landen waar de instorting van de woning- en bouwsector een aanzienlijke bijdrage leverde tot de recessie, en dan meer bepaald in Spanje, de VS en Ierland, waren de bedrijven veel meer geneigd om te snoeien in het aantal werknemers en om de productiviteit van de overblijvende werkkrachten te verhogen, onder meer omdat ze geloofden dat de recessie het signaal was voor een structurele afname van het belang van de bouwsector. Het aandeel van de langdurige werkloosheid in de totale werkloosheid is in die landen toegenomen. De OESO heeft ook vastgesteld dat in landen waar de recessie grotendeels het gevolg was van dalende uitvoer, zoals Japan, Mexico, Duitsland en Korea, de ondernemingen meer geneigd waren om te beknibbelen op werkuren en productiviteit dan op arbeidsplaatsen. Het is volgens de OESO aannemelijk dat de daling van de export gezien werd als een grotendeels voorbijgaand fenomeen, dat veeleer de wereldwijde omstandigheden weerspiegelde dan wel een structurele verandering van de economie. Zulke ondernemingen zullen waarschijnlijk meer gebruikmaken van geschoolde werkkrachten en in het rapport wordt er dan ook van uitgegaan dat die bedrijven veel minder geneigd zijn om banen te schrappen als de verkoop daalt. Het betekent ook dat Japan, Duitsland en andere landen waar de bedrijven arbeidskrachten hamsterden veel meer gevaar lopen op een herstel zonder banencreatie. De hogere productie zal uiteindelijk gehaald worden uit een herstel van de werkuren en de productiviteit, eerder dan door een uitbreiding van het personeelsbestand. Maar dat is niet noodzakelijk een slechte zaak als de werkgelegenheid toch al zo weinig gedaald is. The Economist