De invloed van het Arbitragehof is vandaag, ook in fiscale zaken, niet meer weg te denken. Zodra een nieuwe fiscale wetgeving discriminerend is, kan zij door het Arbitragehof worden vernietigd. Het Hof kan bovendien bij wijze van prejudiciële vraag worden gevat om zich uit te spreken over het al dan niet discriminerende karakter van gelijk welke wettelijke maatregel, ook als die al jarenlang bestaat.
...

De invloed van het Arbitragehof is vandaag, ook in fiscale zaken, niet meer weg te denken. Zodra een nieuwe fiscale wetgeving discriminerend is, kan zij door het Arbitragehof worden vernietigd. Het Hof kan bovendien bij wijze van prejudiciële vraag worden gevat om zich uit te spreken over het al dan niet discriminerende karakter van gelijk welke wettelijke maatregel, ook als die al jarenlang bestaat. Verkrotting. Zo werd onlangs aan het Arbitragehof gevraagd of de Vlaamse regeling inzake de vermindering of kwijtschelding van onroerende voorheffing bij onproductiviteit van het onroerend goed niet discriminerend is. Wanneer een niet-gemeubileerd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste negentig dagen onvrijwillig niet in gebruik is genomen en geen inkomsten heeft opgebracht, kan men in overeenkomstige mate een vermindering van de onroerende voorheffing verkrijgen. In het Vlaams Gewest is deze mogelijkheid evenwel onderworpen aan een bijkomende voorwaarde: de onproductiviteit mag in de regel niet langer dan twaalf maanden duren. De achterliggende redenering is dat onroerende goederen die langer dan twaalf maanden leegstaan, snel verkrotten, en dat de vermindering van de onroerende voorheffing geen beloning mag zijn voor eigenaars die hun onroerende goederen verwaarlozen.Het Arbitragehof is dan ook - bij wijze van prejudiciële vraag - uitgenodigd om te beoordelen of de Vlaamse regeling niet discriminerend is, in de zin dat zij zonder onderscheid van toepassing is op alle onroerende goederen die langer dan twaalf maanden onproductief zijn. Het Hof antwoordt dat dit inderdaad het geval is, in de mate dat zij ook van toepassing is op - weliswaar leegstaande - woningen, maar die door hun eigenaar goed worden onderhouden. Van een strijd tegen verkrotting - het doel van de Vlaamse regeling - kan in die omstandigheden immers geen sprake zijn (arrest van 1 maart 2001). Bedrijfsleiders. Een ander recent arrest van het Arbitragehof steekt opnieuw de lont aan het kruitvat van het zogenaamde attractiebeginsel (arrest van 1 maart 2001). Het attractiebeginsel heeft te maken met de bezoldigingen van vennootschapsmandatarissen (bijvoorbeeld zaakvoerders en bestuurders). Het wil dat alle vergoedingen die een vennootschapsmandataris (natuurlijke persoon) van zijn vennootschap ontvangt, worden ingedeeld in de fiscale categorie van de bezoldigingen van bedrijfsleiders. Niet alleen de vergoedingen die men wegens het uitoefenen van het mandaat verkrijgt, maar - in voorkomend geval - ook, de vergoedingen die men ontvangt omdat men in dezelfde vennootschap b.v. ook nog als werknemer bedrijvig is. Het attractiebeginsel heeft voor- en nadelen. Sommigen hebben niet liever dat al de vergoedingen die zij van hun vennootschap ontvangen, worden gekwalificeerd als bezoldigingen van bedrijfsleiders. Al was het maar omdat zij op die manier toegang hopen te krijgen tot het zoveel goedkopere sociaal statuut van de zelfstandigen. Voor anderen is het attractiebeginsel een nachtmerrie. Denk aan de bestuurder die - terwijl hij nog in functie is - een extralegaal pensioen verkrijgt van een bedrijfsleidersverzekering. Als hij niet oplet, zal dat pensioen onder invloed van het attractiebeginsel worden omgetoverd van een laag belast pensioenkapitaal, in een hoog belaste bedrijfsleidersbezoldiging. Wat er ook van zij, het attractiebeginsel heeft in de loop van de voorbije jaren een bewogen bestaan gekend. Eind 1996 leek het afgeschaft. Maar terwijl de toenmalige minister van Financiën die afschaffing in het Parlement zat toe te lichten, deed de belastingadministratie alsof er van een afschaffing geen sprake was. Het gevolg was, dat kort daarna een wetgevend initiatief werd genomen om het afgeschafte attractiebeginsel opnieuw in te voeren.De tegenstanders van die herinvoering trokken naar het Arbitragehof. En halen daar hun slag, minstens gedeeltelijk thuis.De wetgever heeft het attractiebeginsel destijds heringevoerd omdat men misbruiken vreesde op het gebied van de forfaitaire aftrek van beroepskosten. Zonder attractiebeginsel kan een werknemer die in dezelfde vennootschap ook bestuurder is, twee keer een beroep doen op het kostenforfait: één keer voor het deel van zijn bezoldigingen als werknemer, en één keer voor het deel van zijn bezoldigingen als bedrijfsleider. Met het attractiebeginsel kan men alleen maar een beroep doen op het kostenforfait zoals dat ten aanzien van bedrijfsleiders van toepassing is. Het Arbitragehof merkt evenwel terecht op dat deze verantwoording geen steek houdt ten aanzien van werknemers die daarnaast een onbezoldigd mandaat van bestuurder of zaakvoerder uitoefenen. Het heeft daarom de herinvoering van het attractiebeginsel nietig verklaard, in de mate dat het ook van toepassing is op werknemers die in dezelfde handelsvennootschap een onbezoldigd mandaat uitoefenen van bijvoorbeeld bestuurder of zaakvoerder. Beroepsreglementering. Met een andere uitspraak heeft het Arbitragehof dan weer voor rust gezorgd op het gebied van de gloednieuwe beroepsreglementering van de belastingconsulenten (arrest van 25 januari 2001). De wetgever heeft een tijdje geleden een reglementering uitgevaardigd die in een bescherming van de titel van belastingconsulent voorziet. Niemand mag die titel nog gebruiken, tenzij hij is ingeschreven op de lijst van de belastingconsulenten bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (het IAB). Die nieuwe reglementering - waarvan de toepassing stilaan op kruissnelheid komt - is op verschillende punten voor kritiek vatbaar. Onder meer, omdat zij voor bepaalde personen tot een soort beroepsverbod kan leiden. Neem het geval van een boekhouder die in principe aan alle voorwaarden inzake vorming voldoet om op de lijst van de belastingconsulenten te worden ingeschreven. Die inschrijving zal hem evenwel worden geweigerd omdat boekhouders verplicht lid zijn van het Beroepsinstituut van de erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF), en de wetgeving een dubbel lidmaatschap, én van het IAB én van het BIBF, niet toestaat. Wat die nieuwe beroepsreglementering van de belastingconsulenten betreft, zijn verschillende verzoeken tot vernietiging ingediend bij het Arbitragehof. Maar het Hof heeft al die verzoeken samengevoegd en in één arrest (op enkele punten en komma's na) naar de archieven verwezen. Het vindt dat de verplichte inschrijving bij één enkel beroepsinstituut niet discriminerend is. Het is immers de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest om - minstens in een eerste fase - twee afzonderlijke beroepsinstituten met een onderscheiden lidmaatschap te behouden: enerzijds, het BIBF met de erkende boekhouders en de erkende boekhouders-fiscalisten, en anderzijds, het IAB met de accountants en de belastingconsulenten. Een accountant (aangesloten bij het IAB) kan derhalve niet tegelijk ook ingeschreven zijn bij het Beroepsinstituut van de erkende Boekhouders en Fiscalisten. Omgekeerd, kan een boekhouder (aangesloten bij het BIBF) ook niet tegelijk ingeschreven zijn bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. Ieder kan slechts van één van die twee beroepsinstituten deel uitmaken. En dat geldt - zonder onderscheid - voor iedereen. Van discriminatie is dus geen sprake. De rust die aldus op dit terrein is ingetreden, kan evenwel niet verhelen dat de nieuwe beroepsreglementering slachtoffers maakt. Gezien het arrest van het Arbitragehof, kan men niet stellen dat er discriminatie - in de juridische betekenis van het woord - in het spel is. Maar tegelijk kan men niet ontkennen dat boekhouders die aan alle voorwaarden voldoen om op de lijst van de belastingconsulenten te worden ingeschreven, terecht mogen klagen. Om op die lijst te worden ingeschreven, moeten zij immers verzaken aan hun lidmaatschap van het BIBF. Maar die verzaking heeft meteen tot gevolg dat zij geen boekhoudwerkzaamheden meer mogen uitvoeren. Tenzij zij zich laten inschrijven - en dus aan de voorwaarden voldoen om ingeschreven te worden - op de lijst van de accountants bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. Voldoen zij niet aan die voorwaarden, dan vallen zij tussen wal en schip. Inhoudelijk hebben zij voldoende kwalificaties om als belastingconsulent te worden aangesproken. Maar in de praktijk mogen zij zich die titel niet toeëigenen, omdat zij - als zij nog verder boekhoudwerkzaamheden willen verrichten - noodgedwongen ingeschreven moeten blijven bij het BIBF (van de boekhouders). Kafka is hier dus nooit ver weg. En dus rijst de vraag of de wetgever heel dit verhaal niet eens opnieuw moet bekijken om nuanceringen aan te brengen, terwijl die juridisch misschien niet strikt nodig, maar wel wenselijk zijn.De auteur is advocaat bij Dauginet & Co. en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck