Op donderdag 10 en vrijdag 11 maart vindt in Versailles een informele Europese top plaats. De gastheer is de Franse president Emmanuel Macron, omdat zijn land momenteel EU-voorzitter is. Aanvankelijk zou de top gaan over het Europese investeringsplan voor 2030. Door de oorlog in Oekraïne ligt de focus nu op de Europese energieafhankelijkheid en de Europese defensie. Een jaar geleden had een top over een Europese defensie iedereen onverschillig gelaten. Wie het onderwerp toen aankaartte, kreeg steevast het antwoord dat er nooit een Europees leger zou komen en we voor onze veiligheid kunnen rekenen op de NAVO.
...

Op donderdag 10 en vrijdag 11 maart vindt in Versailles een informele Europese top plaats. De gastheer is de Franse president Emmanuel Macron, omdat zijn land momenteel EU-voorzitter is. Aanvankelijk zou de top gaan over het Europese investeringsplan voor 2030. Door de oorlog in Oekraïne ligt de focus nu op de Europese energieafhankelijkheid en de Europese defensie. Een jaar geleden had een top over een Europese defensie iedereen onverschillig gelaten. Wie het onderwerp toen aankaartte, kreeg steevast het antwoord dat er nooit een Europees leger zou komen en we voor onze veiligheid kunnen rekenen op de NAVO. Maar de wereld is intussen grondig veranderd. In de Europese hoofdsteden is er nu het besef dat de Europese Unie militair niet langer alleen op de grote Amerikaanse vriend kan rekenen. De bocht richting meer defensie-uitgaven hebben de EU-lidstaten al genomen. Dat proces zal nog versnellen, nu Duitsland heeft aangekondigd dat het land zijn defensiebudget de komende jaren optrekt naar de NAVO-doelstelling van 2 procent van het bbp, en per direct al 100 miljard euro vrijmaakt. Een meer geïntegreerd Europees defensiebeleid ligt op tafel. Maar voor er één Europees leger is, zal nog veel water naar de zee vloeien. Defensie is in de Europese Unie een nationale bevoegdheid, ook al voorziet het Verdrag van Lissabon uit 2007 in een gemeenschappelijk defensiebeleid. Dat nationale defensie in de EU dominant blijft, betekent natuurlijk niet dat alle legers eilandjes zijn. Er wordt al aardig samengewerkt. Een schoolvoorbeeld is de samenwerking tussen de Belgische en de Nederlandse marine. Sinds 1996 zijn de operationele marinestaven geïntegreerd, de opleidingen en het onderhoud van schepen gebeurt gezamenlijk. De marines zijn intussen zodanig vervlochten, dat ook de aankoop van nieuwe schepen gezamenlijk gebeurt. In 2019 schaften België en Nederland voor 4 miljard euro vier fregatten en twaalf mijnenjagers aan. De aanbesteding van de fregatten kwam Nederland toe, België regelde de aankoop van de mijnenjagers. Die Belgisch-Nederlandse samenwerking geldt al jaren als een Europese referentie. Ook voor het in 2017 gelanceerde Pesco-project (Permanent Structured Cooperation): 46 samenwerkingsprojecten tussen EU-legers. Intussen zijn daar nog veertien nieuwe projecten bij gekomen. Het gaat onder meer om samenwerking tussen medische diensten, het gebruik van een Europees maritiem surveillancesysteem en wederzijdse bijstand voor cyberveiligheid. Een nieuw project is het Next Generation Small RPAS (NGSR). Dat ontwikkelt een volgende generatie tactische drones voor gebruik door militaire eenheden op zee en in de lucht. Daarnaast zullen de drones ook worden ingezet voor burgerlijk gebruik, zoals noodhulp bij rampenbestrijding. Een ander voorbeeld is het Main Battle Tank Simulation and Testing Centre (MBT-SIMTEC), een simulatie- en testcentrum voor gevechtstanks. Om onderzoek en ontwikkeling op het gebied van defensie te promoten, is in 2020 het Europees Defensiefonds (EDF) gelanceerd. Prijskaartje: 7,9 miljard euro. Maar het opbouwen van een Europese defensie gaat niet alleen om meer geld uitgeven. Je moet dat geld ook efficiënt besteden. Dat loopt nog altijd niet gesmeerd. Volgens een studie van het Europees Parlement wordt "naar schatting jaarlijks 26,4 miljard euro verspild door verdubbeling, overcapaciteit en barrières voor opdrachten. Daardoor worden in Europa meer dan zes keer zoveel verdedigingssystemen gebruikt dan in de Verenigde Staten. Dit is waar de Unie de lidstaten kan aansporen om samen te werken, of hun regelgevende kaders te bieden." (zie grafiek: VS-leger is groter en efficiënter). Een paar voorbeelden. De Europese landen tellen 154 wapensystemen, de VS 27. Volgens het rapport van het Europees Parlement kan in de EU 500 miljoen euro worden bespaard met een collectief systeem van certificering van munitie. Het Amerikaanse leger telt 27.500 gepantserde voertuigen voor personenvervoer. Dat zijn er 10.000 meer dan de EU-lidstaten, maar hier worden 37 verschillende types gebruikt, in de VS 9. Het stroomlijnen van die infanterietuigen zou 600 miljoen euro opbrengen. Het is niet anders met de gevechtsvliegtuigen: de VS telt er 2.700, de EU-landen 1.700. Op de Amerikaanse basissen staan 11 types, in Europa 19. Dat de EU zoveel verschillende soorten defensiemateriaal telt, komt omdat de lidstaten vooral kiezen voor nationale producten, zeker die met een sterke eigen militaire industrie. Die reflex overheerst anno 2022 nog altijd, al staan nieuwe militaire projecten in de steigers waarvan Frankrijk en Duitsland de trekkers zijn. Zo zetten Duitsland, Frankrijk en Spanje hun schouders onder het SCAF-programma voor de ontwikkeling van nieuwe gevechtsvliegtuigen. De Next Generation Fighter (NGF) moet de bestaande Rafales en Eurofighters vervangen. Maar er zit al een tijd een haar in de boter. De Fransen en de Duitsers discussiëren over de intellectuele eigendomsrechten van de nieuwe technologie die de NGF's zullen gebruiken. Er was ook overeengekomen dat het Franse Dassault Aviation de prototypes zou ontwikkelen, maar in 2021 vroeg toenmalig bondskanselier Angela Merkel om daar ook de Duitse industrie bij te betrekken. Om vergelijkbare redenen liep het MGCS-programma voor de bouw van nieuwe gevechtstanks vertraging op. De pantservoertuigen moeten tegen 2035 klaar zijn, om de Franse Leclercs en Duitse Leopards 2 te vervangen. Er is lang onderhandeld over de verdeling van de opdracht tussen het Franse Nexter en het Duitse Krauff-Maffei en Rheinmetall. Beter nieuws is er wellicht over de ontwikkeling van de militaire drone PRAS MALE, waarin Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje investeren. In het verleden gingen vergelijkbare projecten vaak niet vooruit omdat de betrokken landen geen akkoord konden bereiken over het aandeel van hun bedrijven in de productie. Niet alleen nationale belangen zetten een rem op een geïntegreerde Europese defensie. Een andere oorzaak van de vaak moeilijke samenwerking is de discrepantie tussen de militaire budgetten in verhouding tot het bbp. Parijs wreef Berlijn regelmatig onder de neus dat Frankrijk wel de NAVO-doelstelling van 2 procent van het bbp defensie-uitgaven haalde, terwijl Duitsland op 1,5 procent bleef hangen. Dat probleem zou nu dus van de baan moeten zijn. Ligt de weg open naar een geïntegreerde Europese defensie en mogelijk een Europees leger? Dat zou met een budget van 352 miljard dollar veel sterker staan dan het Russische leger met zijn 67 miljard euro (zie tabel). Dat Europese leger komt er niet meteen, om veel redenen. De oorlog in Oekraïne heeft er wel voor gezorgd dat Duitsland nu fors wil investeren in zijn defensie, maar eer de Bundeswehr zich kan meten met de Franse en de Britse strijdkrachten, zijn we jaren verder. In Frankrijk blijft wantrouwen bestaan tegenover een intensieve samenwerking met andere landen. President Macron is nog altijd verbolgen over het veiligheidspact Aukus tussen het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Australië, waardoor de aankoop van Franse onderzeeërs ter waarde van meer dan 30 miljard euro door de Australiërs eind vorig jaar werd geannuleerd. Ook de brexit vormt een hinderpaal voor een sterkere Europese defensie. Het Verenigd Koninkrijk heeft een militair budget van meer dan 2 procent van het bbp, en zijn vloot kan een cruciale rol spelen in de Europese defensie. Ten slotte zet de sterke oriëntatie van tal van EU-lidstaten op het NAVO-bondgenootschap een rem op een autonoom Europees leger. Verschillende hoofdsteden blijven de Amerikaanse militaire paraplu comfortabel en vooral onmisbaar vinden.