Erik Bruyland
Erik Bruyland
Erik Bruyland is senior writer bij Trends.
Opinie

15/11/11 om 10:42 - Bijgewerkt om 10:42

Doha is dood, leve de WTO

Het streven naar maximale vrijhandel tijdens de Doha-onderhandelingsronde dreigt na tien jaar te verzanden in gevaarlijk protectionisme. Laten we Doha begraven om de WTO te redden; de Wereldhandelsorganisatie heeft haar nut immers al bewezen.

Na tien jaar trekken en sleuren om handelsbarrières verder af te breken, lijkt de Doha-ronde tussen 153 landen in de Wereldhandelsorganisatie (WTO) op sterven na dood. Er is wel vooruitgang geboekt, maar ambitieuze doorbraken in de doorgedreven liberalisering voor de handel in diensten, industrie en landbouw bleven uit. De toetreding van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie is zowat het enige lichtpunt op de ministeriële conferentie van de WTO dit weekend in Genève. Voor de rest zijn de tegenstellingen tussen de onderhandelaars tijdens de aanslepende Doha-ronde almaar scherper geworden.

Bij de start in 2001 dachten Brussel en Washington nog het schaakspel te beheersen. Onze toekomst lag in het ontwikkelen van een kennis- en diensteneconomie, creatie en distributie in de rijke landen; Brazilië, Rusland, India en China (het begrip BRIC's kwam toen op) mochten eenvoudige spullen maken en hun gigantische markten openstellen voor onze superieure producten. Goedkope import, lage inflatie, toegenomen concurrentie en nieuwe technologieën zouden onze levensstandaard verhogen, terwijl de armste landen een graantje konden meepikken.

Tien jaar later ziet het plaatje er helemaal anders uit. Nieuwe groei-economieën, aangezwengeld door westerse multinationale bedrijven, begonnen zwaardere eisen te stellen tijdens de Doha-onderhandelingen. Zeker China, nu al tien jaar lid van de WTO, bespeelt het instrumentarium zo handig dat diezelfde multinationals klagen over de eigenzinnige interpretatie van de WTO-regels door Peking. In het Westen wakkerde goedkope kredietverlening, die de neerwaartse druk op de lonen door import uit lage-lonenlanden moest compenseren, een financiële wervelwind aan.

Tegenwoordig zijn Washington en Brussel minder strikt in de leer. Hun dogmatische opdeling tussen 'goede' en 'slechte' leerlingen van een verregaande vrijhandel is afgezwakt; ze sluiten zelfs liever regionale en bilaterale handelsakkoorden. Die aanpak zou wel eens efficiënter kunnen zijn dan de alomvattende en gedetailleerde plannen die oorspronkelijk op tafel lagen. Als ze niet gericht zijn tegen andere handelspartners, kunnen zulke deelakkoorden bouwstenen aanbrengen om vrijhandelsonderhandelingen ook op wereldvlak vooruit te helpen. En de WTO te redden.

In crisistijd, wanneer het hemd nader is dan de rok, moet gevrijwaard worden wat de Wereldhandelorganisatie al bereikt heeft. Minder handelsbarrières leveren op wereldschaal meer welvaart op. Nu gevaarlijk protectionisme de kop opsteekt, blijft de organisatie een trefpunt om excessen in te perken. En hoewel Rusland, evenmin als China, niet de beste leerling van de klas zal zijn, brengt de WTO toch meer rechtszekerheid in handelstransacties en voor investeringen.

Onze partners