In de jaren tachtig kenden we de experimenten-Hansenne. Ze werden bedacht aan de oevers van de Semois, in Poupehan. Ze hadden tot doel meer banen te creëren door de arbeid te herverdelen. Ze kregen vorm via 5-3-3-akkoorden: 5 procent arbeidsduurvermindering, 3 procent loonmatiging en 3 procent aanwervingen. De experimenten stelden uiteindelijk niet zoveel voor, de tewerkstellingseffecten waren ontgoochelend. Maar de formule was innovatief. Ze maakten het mogelijk met de blik op de toekomst buiten de lijnen van het arbeidsrecht te kleuren. Vriend en vijand prezen de aanpak. Enkel het ABVV sprak van een uitholling: met het recht wordt niet geëxperimenteerd!
...

In de jaren tachtig kenden we de experimenten-Hansenne. Ze werden bedacht aan de oevers van de Semois, in Poupehan. Ze hadden tot doel meer banen te creëren door de arbeid te herverdelen. Ze kregen vorm via 5-3-3-akkoorden: 5 procent arbeidsduurvermindering, 3 procent loonmatiging en 3 procent aanwervingen. De experimenten stelden uiteindelijk niet zoveel voor, de tewerkstellingseffecten waren ontgoochelend. Maar de formule was innovatief. Ze maakten het mogelijk met de blik op de toekomst buiten de lijnen van het arbeidsrecht te kleuren. Vriend en vijand prezen de aanpak. Enkel het ABVV sprak van een uitholling: met het recht wordt niet geëxperimenteerd! In de jaren 2010 krijgen we de experimenten-Peeters. Ze moeten een basis krijgen in een wet-Werkbaar Wendbaar Werk, een benaming waar duidelijk lang is over nagedacht. In vergelijking met die van Hansenne bestrijken de experimenten-Peeters de breedte van het arbeidsrecht. Er worden tien werven geopend: van experimenten met loopbaansparen en proeven met een mobiliteitsbudget, over het ontwerp van een statuut tussen zelfstandige en werknemer en de creatie van uitzendcontracten van onbepaalde duur, tot testen met vrijwillige overuren en de omvorming van de ontslagvergoeding tot een transitietoelage gericht op het vinden van een nieuwe baan. We moeten dat initiatief kritisch volgen. Men kan zich bijvoorbeeld de vraag stellen hoeveel werven nog open zullen staan nadat de voorstellen gefileerd zijn door het sociaal overleg. Voorts leent niet elke voorgestelde innovatie zich voor een experiment. Zo vraagt de herziening van de ontslagvergoeding eerder vooruitziendheid dan gepruts in de marge. Bovendien zijn niet alle werven even revolutionair; sommige bedrijven tasten gelukkig voortdurend de grenzen van het arbeidsrecht af. Andere experimenten hadden dan weer al lang praktijk moeten zijn. Toch verdient het initiatief van Peeters veel steun en krediet. Het arbeidsrecht vertrekt te veel van gelijke behandeling van ongelijke situaties. Bedrijven en bedrijfstakken opereren nu eenmaal in specifieke omgevingen, kampen met unieke uitdagingen en werken met verschillende doelgroepen. Dat vraagt om maatwerk en dus om ongelijke behandeling van ongelijke omstandigheden. De experimentele benadering is dan een geschikte formule. Ze brengt voorzichtig dynamiek in het arbeidsrecht en maakt het mogelijk te innoveren zonder meteen de eenheid in de verscheidenheid te verliezen. Overigens zijn de experimenten-Peeters vooral voor de vakorganisaties een historische kans om zich sterker te profileren als sociale innovators in plaats van bewakers van de status quo. Ik hoop dat ze niet te veel pleinvrees vertonen en het stuur van de vooruitgang met beide handen grijpen. In essentie is dit programma gericht op de werknemer en zijn of haar stijgende vraag naar flexibiliteit. De kans is klein dat we ooit experimenten-Sels krijgen. Daarvoor klinkt de naam te alledaags, net zoals Peeters overigens. Bovendien heb ik andere ambities. Maar ik zou de pen weleens willen vasthouden. Ik zou opteren voor een open en permanent kaderprogramma, waarin bedrijven voortdurend experimenten kunnen indienen die de misleidende vanzelfsprekendheid van het arbeidsrecht helpen ter discussie te stellen en het uitdagen op zijn openheid voor sociale innovatie. Want met recht wordt wél geëxperimenteerd, liefst zo veel mogelijk. Voorts zou ik de reikwijdte van sociale innovaties niet op voorhand inperken tot tien thema's, maar bedrijven en sociale partners zelf werven laten openen. Zo werk je aan een arbeidsrecht dat voortdurend in beweging is; niet van bovenuit door abstracte interprofessionele akkoorden en via zware piramidale structuren, maar van onderuit en gestuurd door de behoeften, de ambities en de uitdagingen van bedrijven en hun medewerkers. Ik zou de wet 'werkbaar werk in wendbare organisaties' noemen. Dat symboliseert beter het belang van een balans tussen de werkbaarheid van werk en de wendbaarheid van onze bedrijven. Ik zou sociaal bemiddelaars omscholen tot innovatieadviseurs die de sociale partners in sectoren en bedrijven begeleiden in de zoektocht naar die balans, die de overheid informeren over de gedragseffecten van deze sociale innovaties en adviezen uitwerken om ze te veralgemenen. Op die manier vertaalt sociale innovatie zich in juridische vernieuwing. De auteur is decaan van de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen aan de KU Leuven.LUC SELSDe experimenten-Peeters zijn vooral voor de vakorganisaties een historische kans om zich sterker te profileren als sociale innovators in plaats van bewakers van de status quo.