Het jaar 1995 zag er aanvankelijk hoopvol uit. De conjunctuur besliste er echter anders over. De verbruiker, die zijn spaargeld koesterde, ook.
...

Het jaar 1995 zag er aanvankelijk hoopvol uit. De conjunctuur besliste er echter anders over. De verbruiker, die zijn spaargeld koesterde, ook.In de lente bloeide de conjunctuur op en herleefde de hoop, waarna ze tijdens de rest van het jaar zachtjes wegkwijnde. De verbruiker stelde zich opnieuw aarzelend en wantrouwig op. Hij spaart 19 % van zijn inkomen, wat 2 % meer is dan het gemiddelde van 17 % van de jaren '80. Vervelend, wanneer het privé-verbruik bijna twee derde van de uiteindelijke vraag vertegenwoordigt.Die lusteloosheid heeft verscheidene oorzaken. Bij de zwakke rentevoet voegt zich immers de ongerustheid over de toekomst, zowel op het vlak van de werkgelegenheid als op dat van de budgettaire keuzen. De begroting voor 1996 wordt gekenmerkt door 110 miljard frank nieuwe inkomsten, die rechtstreeks of onrechtstreeks voor minstens twee derde uit de zakken van de belastingbetaler moeten komen. Anderzijds blijven de lonen in naam van de concurrentiekracht geblokkeerd, zodat het beschikbare inkomen van de gezinnen in 1995 in reële termen slechts met 0,5 % stijgt, na een vermindering in dezelfde orde van grootte het jaar voordien. Daar doe je geen gekke dingen mee.ZWAK VERBRUIK.Is het dan een wonder dat in het jaarverslag van Fedis, de federatie van de distributiebedrijven, sprake is van een "zwak verbruik" en "algemeen immobilisme van de omzet" ? Het verbruik van voedingsproducten daalt bijvoorbeeld met 1,2 %, het dubbele van de terugval die in 1994 werd opgetekend, toen de regressie slechts 0,6 % bedroeg. De niet-voedingsproducten hadden in 1994 standgehouden (+0,7 %) maar gaan in 1995 met hetzelfde percentage achteruit. Textiel en kleding maken een duik : min 7,2 %. En tot overmaat van ramp is de consument een "zapper" geworden, die op zoek naar koopjes van de ene keten naar de andere zwerft. Alleen de interieur-, huishoud- en knutselartikelen doen het goed : +2,4 %. De inschrijvingen van nieuwe wagens lopen terug van 387.438 naar 358.968 eenheden, een daling met 9,2 % tegenover het jaar voordien. 51,7 % van die voertuigen wordt in Vlaanderen ingeschreven, 29,6 % in Wallonië en 18,7 % in Brussel. Het aantal toegekende bouwvergunningen voor nieuwe woningen daalt van 36.679 in 1994 naar 29.063 in 1995, dat voor niet-residentiële gebouwen van 8491 naar 7496 eenheden. Het volume van de goedgekeurde bouwwerken vermindert met 540.000 m3 voor de woningen en met bijna vijf miljoen voor de niet-woningen. De investeringen van de vastgoedmaatschappijen die in onze Top voorkomen, dalen van 32 naar 27 miljard frank. Deze tendensen zullen een duidelijke impact hebben op de resultaten van de bouwsector in 1996, want de bouwactiviteit wordt gekenmerkt door een groot tijdsverloop tussen het ogenblik waarop de vergunning wordt verleend en de eigenlijke start van de werken. De terugval dreigt nog groter te worden omdat de bouw in 1995 gesteund werd door een inspanning van de sociale sector, vooral in Vlaanderen, waar de investeringen stegen van 13 naar 17 miljard. Het stilvallen van de groei, merkbaar vanaf mei, heeft zich niet alleen vertaald in een spectaculaire daling van het aantal aanvragen voor hypothecair krediet, maar ook in een vermindering van hun gemiddelde bedrag : 2,3 miljoen tegenover 2,5 miljoen voordien.De openbare bestellingen volgen die tendens en dalen als gevolg van de vermindering van de investeringsuitgaven van alle overheden : federaal, gewestelijk en plaatselijk. Op dat laatste niveau is de daling bijzonder uitgesproken. Logisch, want de verkiezingen liggen achter ons. Gelukkig steken de grote openbare bedrijven een handje toe : in 1995 investeert de NMBS 38 miljard en Belgacom 31 miljard. Maar wat wanneer de werken voor de HST-trein voltooid zijn en Belgacom de nodige infrastructuur in het kader van haar herstructurering heeft opgezet ?OPGESMUKTE UITVOERCIJFERS.De groei van het BBP (Bruto Binnenlands Product) die in 1995 werd opgetekend (1,9 %), is vooral afkomstig uit het buitenland. Op papier zijn de cijfers geruststellend : in 1995 vertoont de handelsbalans van de Bleu (Belgisch-Luxemburgse Economische Unie) een bonus van 260 miljard, een vooruitgang van 14 % tegenover 1994, toen het overschot 228 miljard bedroeg. In werkelijkheid zijn ze verfraaid aangezien er "als gevolg van een methodologische wijziging" nu ook transacties in zijn opgenomen die vroeger "verkeerdelijk door de banken en bedrijven werden aangegeven als internationale handelsoperaties" en dus als uitwisseling van diensten werden geboekt. Daarom is volgens de Nationale Bank de groei in waarde van onze uitvoer geen 14 %, maar 9 %. Het blijft een indrukwekkend resultaat, maar men moet het met een korreltje zout nemen. Dat geldt ook voor onze dienstenbalans, met een overschot van 75 miljard frank, waarvan 49 miljard afkomstig is van de ontwikkeling van het financieel centrum Luxemburg. Ten slotte zijn er verschillende soorten export. Zo bekleedt de diamanthandel met 6 % een belangrijke plaats in de buitenlandse uitwisselingen van de Bleu, maar heeft hij slechts een beperkte inbreng in termen van toegevoegde waarde.ONEVENWICHTIGE UITVOER.De structuur van onze uitvoer verschilt duidelijk van die van onze drie buren, Duitsland, Frankrijk en Nederland, die goed zijn voor 53 % van onze export en 54 % van onze import. Onze uitvoer bestaat voor 85 % uit afgewerkte producten en voor 10 % uit voedingswaren ; het restant is verdeeld tussen grondstoffen (niet-voeding) en energieproducten.Wat opvalt in de structuur van onze uitvoer van afgewerkte producten is het gewicht van de autonijverheid (15 %). Ons land neemt 9 % van de Europese autoproductie voor zijn rekening en "nergens ter wereld maakt men per vierkante kilometer zoveel auto's als bij ons". Ook opvallend zijn het gestegen belang van de chemische producten (18 %), dat door de Nationale Bank in verband wordt gebracht met de vestiging in de Bleu van de Duitse bedrijven "die ongetwijfeld worden aangetrokken door een meer soepele milieureglementering" en vooral onze specialisatie in "andere fabrikaten" (39 %) waaronder de ferro- en non-ferromaterialen. Een erfenis uit het verleden die onze buren niet of niet langer bezitten bij hen vertegenwoordigt dit soort producten slechts 23 % (Nederland) tot 30 % (Duitsland). Ten slotte exporteren wij beduidend minder machines dan onze partners.De moeilijkheden die onze bedrijven ontmoeten, hebben dan ook meer te maken met het gamma van aangeboden producten dan met de sterke frank, die vooral vanuit de textielnijverheid veel kritiek krijgt. De Nationale Bank, nu wettelijk bevoegd voor de statistieken van de buitenlandse handel, verklaart trouwens dat "de wijziging tussen 1987 en 1995 van het aandeel van de uitvoer naar de lidstaten van de Economische Unie die hun munten sterk hebben ontwaard, vooral het Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje, en van de uit deze landen afkomstige uitvoer, niet noemenswaardig verschilt met wat in de buurlanden wordt waargenomen." Erger is de vaststelling dat het aandeel van de Europese en Aziatische markten met een sterke groei, weliswaar gestegen is maar "beperkter blijft dan bij onze buren, in het bijzonder Duitsland en Frankrijk".HERSTRUCTURERINGEN EN SLUITINGEN.Resultaat van dit alles : de werkgelegenheid is vooral gegroeid in de sector van de dienstverlening aan bedrijven, vooral dan het uitzendwerk. De inzet van tijdelijke arbeidskrachten past ongetwijfeld in de onmiskenbare tendens naar meer flexibiliteit, maar wijst voor alles op een gevoel van onzekerheid aangaande de duur van de conjuncturele opflakkering. De meeste industrietakken en ook de detailhandel blijven snoeien in het personeel. Regelmatig verschijnen in de kranten berichten over grootschalige afdankingen : Union Minière, Agfa-Gevaert, Alcatel, NMBS enzovoort. En dan hebben we het nog niet over de vele sluitingen in de textielsector, de meubelindustrie en de metaalnijverheid : Lee, Velda, Wanson enzovoort. Het gevolg is dat we 1995 beginnen en eindigen met meer dan een half miljoen officiële werklozen (504.845) waarvan 164.965 sedert meer dan drie jaar geen baan hebben. In onze Top 5000 die er op een jaar tijd tien ondernemingen bijkreeg, daalde het aantal arbeidsplaatsen met 1000 tot 979.000 werknemers. De 5506 bedrijven van onze Top die alle een omzet van minstens 320 miljoen realiseren, hebben samen een nettowinst van 357 miljard geboekt, wat tegenover het vorige boekjaar een vooruitgang is van 36 miljard of 14,4 %. In dit totaal vertegenwoordigen het relatief kleine aantal coördinatiecentra (40) dat een voldoende omzet haalt om in onze Top te worden opgenomen, 37 miljard. De energiecommunales, die wettelijk van alle belastingen zijn vrijgesteld, zijn goed voor 63 miljard. Zo bedraagt de winst van de "normale" bedrijven 257 miljard, tegenover 221 miljard in 1994, wat neerkomt op een rendement op de eigen middelen van 7,0 %. Ter vergelijking : de holdings, waarvan Tractebel kampioen van de winst is met 7,3 miljard, bereiken samen een gemiddeld rendement op de eigen middelen van 6,5 %. Bij de verzekeraars ligt datzelfde rendement op 10,3 %. Bij de financiële instellingen ligt dit gemiddeld op 6,4 %. VERTROUWEN.Het aantal verlieslatende bedrijven blijft in vergelijking met vorig jaar opvallend stabiel op zowat 25 %. Hetzelfde geldt voor bedrijven met een miljardenverlies. Het zijn er opnieuw negen, maar hun globaal verlies is vrijwel verdubbeld : 25 miljard tegenover 13 miljard in 1994.De globale omzet bedraagt 11.201 miljard (+6,3 %) en de totale toegevoegde waarde 3172 miljard (+5,2 %). De investeringen van 538 miljard tekenden niet meer dan een bescheiden stijging op : precies 2 %, hetzij zeven keer minder dan bij de kleine ondernemingen (14,5 %). Het lijkt er wel op alsof deze laatste meer vertrouwen in de toekomst hebben dan de grote bedrijven, hoewel ze zich met kleinere marges moeten tevreden stellen. De beste brutomarges met andere woorden : het bedrijfsresultaat voor afschrijvingen in verhouding tot de verkoop, een cijfer dat het voordeel heeft onafhankelijk te zijn van de financiële resultaten en de uitzonderlijke resultaten bevinden zich inderdaad in sectoren die omwille van de vereiste omvang ontoegankelijk voor de kmo's zijn. Voorbeelden zijn de farmaceutische industrie (27 %), extractieve bedrijven (25 %) of cementbedrijven (23 %).T.C. DE SPAARWOEDE In 1995 heeft de consument zijn spaarvarken niet gebroken. Hij spaarde 19 % van zijn inkomen.OP ZOEK NAAR EEN JOB 1995 werd afgesloten met meer dan een half miljoen werklozen.