De Britse econoom Andrew Smithers stelde in 2000 in zijn boek Valuing Wall Street dat de aandelen wereldwijd overgewaardeerd waren en dat de centrale bankiers hun beleid moesten bijstellen om assest bubbles te vermijden, onder andere door het gebruik van betere modellen voor de waardering van aandelen. Het boek van Smithers bleef toen wat in de schaduw omdat op hetzelfde ogenblik het ondertussen veel bekendere Irrational Exu-berance van Robert Shiller (van Yale en een expert voor de evolutie van de vastgoedprijzen) van de persen rolde.
...

De Britse econoom Andrew Smithers stelde in 2000 in zijn boek Valuing Wall Street dat de aandelen wereldwijd overgewaardeerd waren en dat de centrale bankiers hun beleid moesten bijstellen om assest bubbles te vermijden, onder andere door het gebruik van betere modellen voor de waardering van aandelen. Het boek van Smithers bleef toen wat in de schaduw omdat op hetzelfde ogenblik het ondertussen veel bekendere Irrational Exu-berance van Robert Shiller (van Yale en een expert voor de evolutie van de vastgoedprijzen) van de persen rolde. Met de recente financiële crisis is Smithers opnieuw in zijn pen gekropen. In Wall Street Revalued toont hij aan dat de Federal Reserve verkeerd was met haar stelling dat de juiste waardering van aandelen moeilijk, zo niet onmogelijk is. "Akkoord", stelt Smithers, "de stelling dat markten perfect functioneren en dat de investeerders rationele actoren zijn, klopt niet." Maar het is volgens hem beter ervan uit te gaan dat markten "onperfect efficiënt zijn en dat de waarde van de aandelen varieert in de buurt van de juiste prijs". In zijn boek toont hij aan hoe investeerders en centrale banken assets kunnen waarderen. Zo kunnen de bubbels vooraf worden geïdentificeerd en problemen zoals we die vandaag kennen worden vermeden. Smithers komt met twee in zijn ogen valabele waarderingsinstrumenten op de proppen. Het eerste is de zogenaamde Q-ratio, een cijfer dat de verhouding uitdrukt tussen de beurskapitalisatie van bedrijven en de kostprijs van hun samenstellende onderdelen. De Q-ratio is een uitvinding van Nobelprijswinnaar James Tobin. Een Q-ratio die groter is dan 1, betekent dat een bedrijf op de beurs duurder gewaardeerd is dan wat het zou kosten om alle bedrijfsonderdelen te vervangen. In dat geval is het aandeel overgewaardeerd. Omgekeerd is een aandeel ondergewaardeerd bij een ratio tussen 0 en 1. Daarnaast heeft hij het over de klassieke koers-winstverhouding. Die wordt berekend door de koers van het aandeel te delen door de winst per aandeel. Smithers ziet meer heil in wat hij de cyclically adjusted price-earnings ratio noemt waarbij de koers van het aandeel bekeken wordt in verhouding tot de winsten van het voorbije tien jaar. Smithers stelt dat deze waarderinginstrumenten in 1929 en 2000 duidelijk zouden hebben aangetoond dat de markt overgewaardeerd was. Hij verwijst ook een ander waarderingsinstrument, de dividend yield, naar de prullenbak. Dat is het dividend dat wordt uitbetaald gedeeld door de beurskapitalisatie. Ten slotte vindt de auteur dat centrale bankiers meer moeten doen dan de troep die aandelenzeepbellen hebben achtergelaten op te ruimen. Volgens hem moeten centrale banken proactiever zijn. Als de financiële lichten op rood springen (torenhoge huizenprijzen, massale liquiditeiten in de markt...) mogen centrale banken zich niet beperken tot bijvoorbeeld het verhogen van de rente. Daarnaast is het hun taak om de banken te dwingen meer kapitaal aan te houden. ANDREW SMITHERS, WALL STREET REVALUED: IMPERFECT MARKETS AND INEPT CENTRAL BANKERS, J. WILEY, 2009, 256 BLZ, 25 EUROAlain Mouton