Vast goed. Natuurlijke personen die een meerwaarde op een onroerend goed realiseren naar aanleiding van een verkoop, zijn vrijgesteld van inkomstenbelastingen mits zij de onroerende goederen al een bepaalde termijn bezitten (5 of 8 jaar). Het is dan ook weinig verwonderlijk dat velen hierin een lucratieve nevenactiviteit zien. Als het aantal vastgoedtransacties oploopt, bestaat evenwel de kans dat de fiscus van oordeel is dat dit in feite een beroepswerkzaamheid uitmaakt en dat de vrijgestelde meerwaarden dienen te worden aangemerkt als belastbare beroepsinkomsten. In een recente betwisting poogde de fiscus om een belastingplichtige aan te pakken omwille van het feit dat hij dertien panden had verkocht over een tijdspanne van 12 jaar. De rechtbank te Brussel vond dit aantal niet doorslaggevend genoeg om te herkwalificeren naar een be...

Vast goed. Natuurlijke personen die een meerwaarde op een onroerend goed realiseren naar aanleiding van een verkoop, zijn vrijgesteld van inkomstenbelastingen mits zij de onroerende goederen al een bepaalde termijn bezitten (5 of 8 jaar). Het is dan ook weinig verwonderlijk dat velen hierin een lucratieve nevenactiviteit zien. Als het aantal vastgoedtransacties oploopt, bestaat evenwel de kans dat de fiscus van oordeel is dat dit in feite een beroepswerkzaamheid uitmaakt en dat de vrijgestelde meerwaarden dienen te worden aangemerkt als belastbare beroepsinkomsten. In een recente betwisting poogde de fiscus om een belastingplichtige aan te pakken omwille van het feit dat hij dertien panden had verkocht over een tijdspanne van 12 jaar. De rechtbank te Brussel vond dit aantal niet doorslaggevend genoeg om te herkwalificeren naar een beroepswerkzaamheid (13 december 2006). Het feit dat de fiscale betwisting ontstaan is naar aanleiding van de verkoop van zijn gezinswoning zal wellicht een rol gespeeld hebben in de milde beoordeling van de rechtbank. Gebrek aan beter. Fiscale controles monden dikwijls uit in een akkoord tussen de fiscus en de belastingplichtige om bepaalde kosten te verwerpen of om bepaalde ontvangsten te verhogen. Zodra een dergelijk akkoord wordt ondertekend, is het achteraf bijna een onbegonnen zaak om hierop terug te komen. Een akkoord kan enkel nog worden aangevallen indien het behept zou zijn met een wilsgebrek. Er bestaan drie wilsgebreken: dwaling, dwang en bedrog. Indien de belastingplichtige met succes kan aantonen dat er sprake is van één van deze wilsgebreken, is het akkoord niet geldig. Het valt evenwel niet mee om dit te bewijzen. Gratuite uitspraken worden niet in aanmerking genomen. Nochtans is er in de praktijk soms sprake van 'lichte' dwang vanwege de fiscus om een akkoord te tekenen. Bij niet-ondertekening riskeert de belastingplichtige immers dikwijls hogere belastingverhogingen en nalatigheidsinteresten. In de rechtspraak wordt dit argument zelden aanvaard. Een zoveelste poging liep recentelijk nog op de klippen, bij gebreke aan bewijs (Rb. Brussel, 7 december 2006). Gratis jaarrekening. In het Belgisch Staatsblad van 27 maart 2007 staan de nieuwe versie vermeld van de standaarddocumenten "Volledig model van jaarrekening" en "Verkort model van jaarrekening" voor ondernemingen, opgesteld door de Nationale Bank van België. De nieuwe versie is gratis beschikbaar in PDF-formaat op de website van de Balanscentrale van de Nationale Bank van België ( www.balanscentrale.be > Software en formulieren > Schema's en formulieren voor ondernemingen). Te laat. Belastingplichtigen die hun bezwaarschrift tegen een aanslag laattijdig hebben ingediend en niet meer weten van welk hout pijlen te maken, durven wel eens hun toevlucht te nemen tot de bewering dat het aanslagbiljet niet of veel te laat is toegekomen. Hier wordt inderdaad dikwijls tegen gezondigd, maar de geloofwaardigheid van dergelijke beweringen worden door de rechtspraak toch geval per geval beoordeeld. Wanneer de laattijdigheid van het aanslagbiljet bijvoorbeeld pas voor de eerste maal wordt opgeworpen op het einde van de gerechtelijke procedure, dan maakt de belastingplichtige zich op zijn minst verdacht. Qua bewijslast dient de Staat met alle middelen van recht aan te tonen dat de aanslagbiljetten werden verstuurd aan de belastingplichtige. De aanslagbiljetten die verstuurd zijn naar de woonplaats van verzoekers en niet zijn teruggekomen met de post, worden bijgevolg geacht regelmatig te zijn verzonden (Brussel, 14 december 2006). In een dergelijk geval worden de aanslagbiljetten geacht daags na de verzending te zijn toegekomen bij de belastingplichtige. Sluwere belastingplichtigen dienen helemaal geen (laattijdig) bezwaar in, maar wachten tot wanneer zij een bevel tot betaling van de Ontvanger der belastingen krijgen, om vervolgens te gaan beweren dat het aanslagbiljet in de post is verloren gegaan. Zonder iemand op ideeën te willen brengen, maakt dit het tegenbewijs voor de Belgische staat een stuk moeilijker. Didier Van Laere is advocaat gespecialiseerd in fiscaal en vennootschapsrecht. De rubriek Fiscuriosa verschijnt elke eerste dinsdag van de maand.Didier Van Laere