In Trends van 23 september analyseert Jan Van Dijck een klein maar niet onbelangrijk onderdeel van de fiscale wet van 4 mei 1999. Het betreft de regeling waarbij instellingen met een sociaal oogmerk van een verlaagd BTW-tarief van 6 % zullen kunnen genieten. "Zullen kunnen" want de auteur heeft gelijk waar hij stelt dat er tot op vandaag nog geen enkele instelling de noodzakelijke erkenning heeft. Het is echter een merkwaardig artikel. De basisstelling van de auteur is immers dat deze wetgeving tot stand is gekomen om ...

In Trends van 23 september analyseert Jan Van Dijck een klein maar niet onbelangrijk onderdeel van de fiscale wet van 4 mei 1999. Het betreft de regeling waarbij instellingen met een sociaal oogmerk van een verlaagd BTW-tarief van 6 % zullen kunnen genieten. "Zullen kunnen" want de auteur heeft gelijk waar hij stelt dat er tot op vandaag nog geen enkele instelling de noodzakelijke erkenning heeft. Het is echter een merkwaardig artikel. De basisstelling van de auteur is immers dat deze wetgeving tot stand is gekomen om één bepaalde instelling uit het Luikse die zich bezighoudt met de opvang van kansarmen tegen een goedkoper tarief bouwactiviteiten te laten verrichten. De uitleg klinkt op het eerste gezicht aannemelijk, maar verbaast mij ten zeerste.Ikzelf lig namelijk voor een belangrijk deel aan de basis van deze wetgeving. Eind 1997 heb ik immers als volksvertegenwoordiger een wetgevend initiatief genomen dat tot doel had om de sector van de sociale economie volledig vrij te stellen van BTW-plicht. Daarmee wou ik een einde stellen aan een jarenlang aanslepende discussie en een bijzonder verwarrende realiteit waarbij instellingen en ondernemingen uit deze sector zo wat naar eigen willekeur BTW-plichtig zijn. Daar komt bij dat tal van werkvormen uit de sociale economie - zoals kringloopcentra, beschutte werkplaatsen, sociale werkplaatsen best een (fiscaal) steuntje in de rug verdienen. Dergelijke instellingen hebben immers (veelal) een bijzonder nuttig maatschappelijk doel dat ze wensen te realiseren d.m.v. de tewerkstelling van risicogroepen op de arbeidsmarkt. Daarbij komt dat in deze organisaties het winststreven ondergeschikt is aan dit maatschappelijk doel.Na overleg en verdere bestudering van het dossier in de betrokken parlementaire commissie bleek echter dat een dergelijke BTW-vrijstelling ontoelaatbaar was volgens de Europese spelregels. Om één en ander op te vangen en nog gestemd te krijgen heeft de toenmalige minister van Financiën een ontwerp van wet voorgelegd (en gestemd gekregen) om een BTW-verlaging voor deze sector te voorzien tot 6 %. Zowat alle politieke fracties hebben dit goedgekeurd. Dat daarna door middel van twee Ministeriële Besluiten een erkenningsprocedure werd vastgelegd is volledig conform de afspraken met het parlement: de overheid moet er immers permanent kunnen op toezien dat dit voorkeurtarief voorbehouden blijft aan de "echte" sociale instellingen.We zijn alvast van plan om op korte termijn de minister van Financiën hierover te ondervragen en aan te dringen op een objectieve en transparante erkenningsregeling.Hans Bonte, Volksvertegenwoordiger