"Een jaar met twee gezichten" was 2021, volgens de jaarlijkse analyse van Decenniumdoelen, het platform van armoedeorganisaties, vakbonden, ziekenfondsen en het Vlaamse middenveld. In Vlaanderen en België daalde het armoederisico in de periode 2919-2021. Toch stelt de organisatie op het terrein een stijgende vraag naar voedsel, financiële hulp en schuldbijstand vast. Sinds de tweede helft van 2021 ziet ze dat ook bij de lage middenklasse. "Alle lichten staan op dieprood", zegt Anne Van Lancker, de voorzitter van Decenniumdoelen. "Een globale verarming van vooral de lage middenklasse en de verdieping van de armoede is vandaag een realiteit."

Ook Trends besteedt in het nummer van deze week aandacht aan het fenomeen van armoede in de lagere middenklasse. Die maakt 18 procent van de bevolking uit. Zo'n 2 miljoen Belgen hebben een netto beschikbaar gezinsinkomen van 60 tot 80 procent van de mediaan, ongeveer 1.450 tot 1.950 euro dus.

Een studie van het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (KU Leuven) toont aan dat 52 procent van die lagere middenklasse een baan heeft. Dertig jaar geleden was dat nog 37 procent. Voor de 'kernmiddenklasse' steeg de tewerkstelling van 57 naar 78 procent. Zij heeft een inkomen van 80 tot 120 procent van de mediaan, en maakt een derde van de Belgen uit. In de hogere inkomensgroepen werkt zelfs 90 procent.

Geen recht op steun

Uit het Leuvense onderzoek blijkt dat de lagere middenklassers moeilijker dan vroeger rond kunnen komen met hun inkomen. "Dertig jaar geleden zaten in elke inkomensklasse wel mensen die het gevoel hadden dat ze de eindjes moeilijk aan elkaar konden knopen", staat in de studie. "Meer dan 20 procent van de lagere middenklassers gaf aan moeilijk rond te kunnen komen, terwijl meer dan 10 procent van de kernmiddenklasse eenzelfde gevoel had. Vandaag is dat percentage gestegen tot 33 procent in de lagere middenklasse en tot 15 procent in de kernmiddenklasse."

Omdat ze boven de armoedegrens vallen, hebben de lagere middenklassers geen recht op sociale steunmaatregelen, zoals de verhoogde tegemoetkoming voor gezondheidszorg: voor een doktersbezoek, een ziekenhuisopname of geneesmiddelen. Die tegemoetkoming was ook het eerste criterium om Belgen gebruik te laten maken van het sociaal energietarief, dat kan beperkt worden tot jaarlijks 1.500 euro. Dat tarief geldt voor wie jaarlijks een inkomen heeft van maximaal 23.680,87 euro (plus 4.383,98 euro per persoon ten laste), of zo'n 1.800 euro per maand. Wie meer verdient, betaalt de volledige energierekening, die tot 5.000 euro per jaar hoger kan liggen. De regering werkt wel aan maatregelen voor een graduele optrekking van het sociaal tarief.

Huren

De lagere middenklassers hebben het in crisisperiodes dus nog moeilijker. Dat ze vaker huurder zijn, speelt ook een rol. In 1985 was 60 procent van de lagere middenklasse eigenaar van zijn woning, zowel bij de ouderen als bij de actieven, aldus de studie. Vandaag is het aandeel eigenaars in de lagere middenklasse gedaald tot 58 procent bij de actieven, maar gestegen tot 71 procent bij de ouderen.

Decenniumdoelen houdt ook een pleidooi voor duurzamere en betaalbare huisvesting. Dat kan door het aantal sociale woningen te stimuleren, de huurprijzen te plafonneren en de huurpremies uit te breiden. Die laatste tussenkomst draagt de voorkeur van de onderzoekers van de KU Leuven weg. Huurpremies, gekoppeld aan een geleidelijke verhoging van de Vlaamse huurnormen, werken beter op de lange termijn. Decenniumdoelen en de Leuvense onderzoekers pleiten ook voor renovatiesteun aan woningeigenaars met een lager inkomen.

"Een jaar met twee gezichten" was 2021, volgens de jaarlijkse analyse van Decenniumdoelen, het platform van armoedeorganisaties, vakbonden, ziekenfondsen en het Vlaamse middenveld. In Vlaanderen en België daalde het armoederisico in de periode 2919-2021. Toch stelt de organisatie op het terrein een stijgende vraag naar voedsel, financiële hulp en schuldbijstand vast. Sinds de tweede helft van 2021 ziet ze dat ook bij de lage middenklasse. "Alle lichten staan op dieprood", zegt Anne Van Lancker, de voorzitter van Decenniumdoelen. "Een globale verarming van vooral de lage middenklasse en de verdieping van de armoede is vandaag een realiteit."Ook Trends besteedt in het nummer van deze week aandacht aan het fenomeen van armoede in de lagere middenklasse. Die maakt 18 procent van de bevolking uit. Zo'n 2 miljoen Belgen hebben een netto beschikbaar gezinsinkomen van 60 tot 80 procent van de mediaan, ongeveer 1.450 tot 1.950 euro dus.Een studie van het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (KU Leuven) toont aan dat 52 procent van die lagere middenklasse een baan heeft. Dertig jaar geleden was dat nog 37 procent. Voor de 'kernmiddenklasse' steeg de tewerkstelling van 57 naar 78 procent. Zij heeft een inkomen van 80 tot 120 procent van de mediaan, en maakt een derde van de Belgen uit. In de hogere inkomensgroepen werkt zelfs 90 procent.Uit het Leuvense onderzoek blijkt dat de lagere middenklassers moeilijker dan vroeger rond kunnen komen met hun inkomen. "Dertig jaar geleden zaten in elke inkomensklasse wel mensen die het gevoel hadden dat ze de eindjes moeilijk aan elkaar konden knopen", staat in de studie. "Meer dan 20 procent van de lagere middenklassers gaf aan moeilijk rond te kunnen komen, terwijl meer dan 10 procent van de kernmiddenklasse eenzelfde gevoel had. Vandaag is dat percentage gestegen tot 33 procent in de lagere middenklasse en tot 15 procent in de kernmiddenklasse."Omdat ze boven de armoedegrens vallen, hebben de lagere middenklassers geen recht op sociale steunmaatregelen, zoals de verhoogde tegemoetkoming voor gezondheidszorg: voor een doktersbezoek, een ziekenhuisopname of geneesmiddelen. Die tegemoetkoming was ook het eerste criterium om Belgen gebruik te laten maken van het sociaal energietarief, dat kan beperkt worden tot jaarlijks 1.500 euro. Dat tarief geldt voor wie jaarlijks een inkomen heeft van maximaal 23.680,87 euro (plus 4.383,98 euro per persoon ten laste), of zo'n 1.800 euro per maand. Wie meer verdient, betaalt de volledige energierekening, die tot 5.000 euro per jaar hoger kan liggen. De regering werkt wel aan maatregelen voor een graduele optrekking van het sociaal tarief.De lagere middenklassers hebben het in crisisperiodes dus nog moeilijker. Dat ze vaker huurder zijn, speelt ook een rol. In 1985 was 60 procent van de lagere middenklasse eigenaar van zijn woning, zowel bij de ouderen als bij de actieven, aldus de studie. Vandaag is het aandeel eigenaars in de lagere middenklasse gedaald tot 58 procent bij de actieven, maar gestegen tot 71 procent bij de ouderen.Decenniumdoelen houdt ook een pleidooi voor duurzamere en betaalbare huisvesting. Dat kan door het aantal sociale woningen te stimuleren, de huurprijzen te plafonneren en de huurpremies uit te breiden. Die laatste tussenkomst draagt de voorkeur van de onderzoekers van de KU Leuven weg. Huurpremies, gekoppeld aan een geleidelijke verhoging van de Vlaamse huurnormen, werken beter op de lange termijn. Decenniumdoelen en de Leuvense onderzoekers pleiten ook voor renovatiesteun aan woningeigenaars met een lager inkomen.