Net iets meer verdienen dan je buren, en toch duizenden euro's per jaar meer betalen voor de gas- en elektriciteitsfactuur. In België kan dat. Er gaat geen dag voorbij of in de media verschijnt de getuigenis van iemand die een torenhoge energiefactuur in de bus krijgt omdat hij of zij geen beroep kan doen op het zogenoemde sociaal tarief. Dat is een recht voor iedereen met een jaarlijks inkomen lager dan 23.680,87 euro (plus 4.383,98 euro per persoon ten laste), of zo'n 1.800 euro per maand. Wie ook maar één euro meer verdient, heeft geen recht op het sociaal tarief en krijgt dus een gepeperde energierekening in de bus.
...

Net iets meer verdienen dan je buren, en toch duizenden euro's per jaar meer betalen voor de gas- en elektriciteitsfactuur. In België kan dat. Er gaat geen dag voorbij of in de media verschijnt de getuigenis van iemand die een torenhoge energiefactuur in de bus krijgt omdat hij of zij geen beroep kan doen op het zogenoemde sociaal tarief. Dat is een recht voor iedereen met een jaarlijks inkomen lager dan 23.680,87 euro (plus 4.383,98 euro per persoon ten laste), of zo'n 1.800 euro per maand. Wie ook maar één euro meer verdient, heeft geen recht op het sociaal tarief en krijgt dus een gepeperde energierekening in de bus. Die groep wordt de lagere middenklasse genoemd. Zulke mensen zitten weliswaar boven de armoedegrens, want hun een gezinsinkomen is hoger dan 60 procent van het mediane huishoudinkomen, zijnde 2.419 euro netto per maand. Maar ze behoren niet tot de kernmiddenklasse (80 tot 120 procent van het mediaaninkomen), die zowat een derde van de Belgen uitmaakt. Volgens onderzoek zit 18 procent van de bevolking in de lagere middenklasse, dat zijn zo'n 2 miljoen Belgen. Ze hebben een netto beschikbaar gezinsinkomen van 60 tot 80 procent van de mediaan, ongeveer 1.450 tot 1.950 euro dus. Vaak hebben ze net wel of net geen recht op sociale steunmaatregelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de 'verhoogde tegemoetkoming voor gezondheidszorg'. Dan betaal je minder voor onder meer een doktersbezoek, een ziekenhuisopname of geneesmiddelen. Die tegemoetkoming was ook het eerste criterium om Belgen gebruik te laten maken van het sociaal energietarief. Dat verlicht aanzienlijk de tegenwoordig loodzware gas- en elektriciteitsfactuur. Er zijn voorbeelden van mensen die dankzij het sociaal tarief jaarlijks 1.500 euro betalen, terwijl wie net uit de boot valt tot 5.000 euro extra per jaar moet zien te vinden. "Veel van die mensen balanceren sowieso al op het randje. Ze kunnen de eindjes moeilijk aan elkaar knopen omdat energie een relatief grotere hap uit het budget neemt", zegt armoede-expert Wim Van Lancker (KU Leuven). "Het staat buiten kijf dat de lagere middenklasse hard wordt getroffen. Voor de armen is het nu natuurlijk ook zeer lastig, maar zij kunnen vaker dan de lagere middenklasse een beroep doen op sociale voordelen en energietarieven." Het idee dat de mensen in de lagere middenklasse in veel gevallen geen baan hebben, klopt niet. De sociologen Laure-Lise Robben, Aaron Van den Heede en Wim Van Lancker maakten voor het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (KU Leuven) een grondige profielschets van de lagere middenklasse sinds halverwege de jaren 80. Daaruit blijkt dat 52 procent van hen tegenwoordig een baan heeft. 30 jaar geleden was dat nog 37 procent. Er is uiteraard een verschil met de kernmiddenklasse, waar de tewerkstelling steeg van 57 naar 78 procent. In de hogere inkomensgroepen werkt zelfs 90 procent. Er is voor de lagere middenklasse dus nog een weg af te leggen, maar het is een fout te stellen dat hun inkomen te laag is omdat ze niet werken. Dat de lagere middenklasse het in crisisperiodes moeilijk heeft, is te verklaren door tal van factoren. Dat ze vaker huurder zijn, speelt bijvoorbeeld een rol. In 1985 was 60 procent van de lagere middenklasse eigenaar van zijn woning, zowel bij ouderen als bij actieven. Vandaag is het aandeel eigenaars in de lagere middenklasse gedaald tot 58 procent bij de actieven, maar gestegen tot 71 procent bij de ouderen. Wie nu een slecht geïsoleerde woning huurt, heeft een serieus probleem. Is het niet-indexeren van de huurprijzen van zulke woningen dan een goed idee? "Dat is een moeilijke", zegt Wim Van Lancker. "Ik denk dat we een onderscheid moeten maken tussen de korte en de lange termijn. Je kunt huurders proberen een beetje te beschermen, en dan lijkt het een interessant idee de huurprijzen van energie slurpende woningen te bevriezen. Maar zo'n maatregel heeft neveneffecten. Verhuren wordt minder aantrekkelijk, de eigenaar kan zijn investeringen niet terugverdienen en het probleem van de slechte huurwoningen wordt daarmee niet opgelost. Ik denk dat je beter het systeem van de huurpremies uitbreidt. Het voordeel is dat je dan niet raakt aan de huurprijzen." Huurpremies zijn sterk ingeburgerd in Nederland, Zweden en Duitsland. Ook Vlaanderen heeft een systeem, maar niet zo uitgebreid. Van Lancker: "Er bestaan Vlaamse huurpremies en subsidies. Daarmee zet je mensen aan te verhuizen naar een kwaliteitsvolle woning. Maar er zijn lange wachtlijsten en eigenlijk komt er maar een kleine groep voor in aanmerking. Je kunt die regels versoepelen, en een langetermijnbeleid voeren dat inzet op huurwoningen die voldoen aan minimale normen." Ook de gezinssituatie bepaalt mee of iemand in de lagere middenklasse zit. Het aandeel eenoudergezinnen en alleenstaanden in de lagere middenklasse is bijna verdrievoudigd. Het aandeel alleenstaande ouders steeg van 4 procent in 1985 naar zo'n 10 procent nu, het aandeel alleenstaanden van 9 naar 25 procent. Terwijl het aandeel van de koppels zonder kinderen stabiel blijft, is er een sterke afname van het aandeel koppels met kinderen (van 43% in 1985 tot 28% in 2016). "Alleenstaande ouders zijn sowieso een kwetsbare groep, dat maakt deze energiecrisis opnieuw duidelijk", stelt Van Lancker vast. En uit het KU Leuven-onderzoek blijkt dat de lagere middenklassers meer dan vroeger moeilijkheden ondervinden om rond te komen met hun inkomen. En toen moesten corona en de energiecrisis er nog inhakken. "Dertig jaar geleden zaten in elke inkomensklasse wel mensen die het gevoel hadden dat ze de eindjes moeilijk aan elkaar konden knopen", staat in de studie. "Meer dan 20 procent van de lagere middenklassers gaf aan moeilijk rond te kunnen komen, terwijl meer dan 10 procent van de kernmiddenklasse eenzelfde gevoel had. Vandaag is dat percentage gestegen tot 33 procent in de lagere middenklasse en tot 15 procent in de kernmiddenklasse." Sociale steunmaatregelen kunnen dat risico op 'sociale deprivatie' verminderen, maar er is een keerzijde van de medaille. Als die voordelen plotseling wegvallen - bijvoorbeeld omdat de gezinssituatie verandert - is de financiële schok groot. Een voorbeeld: een alleenstaande moeder vindt een nieuwe partner. Met diens inkomen erbij, valt een aantal sociale voordelen voor alleenstaande ouders weg. Op basis van het equivalent netto beschikbare gezinsinkomen gaat het gezin er dan niet op vooruit, en in sommige gevallen gaat het zelfs achteruit. Dat probleem is nog acuter geworden door de energiecrisis. De vakbonden en de groene en socialistische partijen pleiten voor een uitbreiding van het sociaal energietarief. PS-voorzitter Paul Magnette had het over inkomens tot 2.450 euro, weliswaar met een getrapt tarief. Daarmee zou 60 procent van de Belgen ervan genieten. "Op de korte termijn zijn er weinig andere instrumenten dan een uitbreiding van het sociaal tarief. Je helpt er de mensen onmiddellijk mee, en vermijdt dat ze verarmen", zegt Van Lancker. "Maar het is geen goed idee er een permanent systeem van te maken. Je moet er op lange termijn voor zorgen dat zo'n sociaal tarief niet nodig is en dat je woningpark zo energiezuinig mogelijk is. We zijn een van de landen waar de woningen het slechtst geïsoleerd zijn." In de lagere middenklasse zitten nog altijd veel woningeigenaars. Hebben zijn wel de middelen om volop te investeren in isolatie? Van Lancker: "Heel het systeem van het promoten van energiezuinigheid is gericht op mensen die het relatief gemakkelijk kunnen betalen. Dat is een voorbeeld van het mattheuseffect (de rijken profiteren meer of onevenredig veel van bepaalde maatregelen dan de armen, nvdr). Je moet dat anders aanpakken, maar de vraag is natuurlijk wat de budgettaire marge is. Je kunt je baseren op bestaande praktijken. Een optie is een rollend fonds zoals de OCMW's dat hebben. Die renoveren sociale woningen, maar schieten ook geld voor voor de renovatie van private woningen. De meerwaarde bij verkoop vloeit terug naar het fonds, waardoor het OCMW andere gezinnen kan helpen. Maar over een beleid voor energiezuinigheid hoor ik bitter weinig." Er is gelukkig ook goed nieuws over de lagere middenklasse: de sociale mobiliteit is er hoog. In gewonemensentaal: veel lagere middenklassers klimmen op naar de kernmiddenklasse, toch in niet-crisisjaren. Als bijvoorbeeld een kind van de lagere middenklasse het ouderlijk huis verlaat, dalen de kosten van het gezin en stijgt het beschikbare inkomen misschien wel tot dat van de kernmiddenklasse. Een andere mogelijkheid voor opwaartse sociale mobiliteit is uiteraard werk vinden, of meer verdienen dankzij een nieuwe functie. "Veranderingen in tewerkstellingspatronen op gezinsniveau hangen zowel in de groep armen als in de lagere middenklasse samen met mobiliteit", staat daarover in de KU Leuven-studie. "Niet onverwacht leidt een stijging van het inkomen uit arbeid op gezinsniveau met minstens 5 procent tot een grote kans op opwaartse mobiliteit, een daling tot neerwaartse mobiliteit." Zes op de tien gezinnen in de lagere middenklasse waar het aantal werkende volwassenen toeneemt (een eenverdienersgezin wordt een tweeverdienersgezin, bijvoorbeeld) stijgen naar de kernmiddenklasse. Wanneer het omgekeerde gebeurt, dan daalt een kwart van de gezinnen in de lagere middenklasse af naar de groep armen. Helaas loert uitgerekend voor de lagere middenklasse ook de promotieval om de hoek (zie kader Promotie maken, maar amper meer verdienen). "Of deze crisis de sociale mobiliteit bemoeilijkt, moet nog blijken", zegt Van Lancker. "Maar als we er niet in slagen de lagere middenklasse te beschermen tegen verarming, zal dat ook een effect hebben op de mobiliteitspatronen. Mensen zakken dan verder weg. En wie in armoede terechtkomt, raakt er moeilijk uit. Het betekent ook meer herverdeling en meer sociale uitgaven."