Het leek slim bedacht, maar het blijkt een grote misrekening. Door China toe te laten tot de Wereldhandelsorganisatie zou het land niet alleen economisch liberaliseren, maar ook maatschappelijk democratiseren, klonk het in 2001. China zou een van de onzen worden.

We hadden beter kunnen weten, dertig jaar geleden al, toen de Chinese partijtop de democratische opstand op het Tiananmenplein in Peking neersloeg. De economische liberalisering die de sterke man Deng Xiaoping had doorgevoerd, zou een democratisch vervolg krijgen, was de hoop op het Tiananmenplein. Maar ook dat was een misrekening. Het tweeduizend jaar oude keizerrijk was dan wel voorbij, maar de keizerlijke zeden leefden voort.

China's nieuwe keizer is partijleider Xi Jinping, die zijn leer in de grondwet liet inschrijven en zichzelf een levenslange aanstelling bezorgde als president. Nadat hij zijn concurrenten uitschakelde via een niets ontziende anticorruptiecampagne, wordt Xi beschouwd als de machtigste Chinese leider sinds Mao Zedong. De vergelijking is gauw gemaakt. Hoe groter de macht van een leider, hoe noodlottiger zijn vergissingen.

Onze verdeeldheid maakt China machtig.

Dat is de gebruikelijke kritiek. Met zijn investeringsverslaving en zijn schuldenberg is China geen toonbeeld van economische stabiliteit, maar als opkomende industriële en militaire macht valt het land niet meer weg te denken. Misschien maakt de groeiende Chinese middenklasse ooit de politieke rekening. Maar het staatskapitalisme maakte de Chinese middenklasse welvarend en geduldig.

China is niet heilig, maar het kiest zijn eigen weg - niets ongewoons voor land van 1,4 miljard inwoners. Het echte probleem is het ontbreken van een constructief antwoord door het Westen. China is groot, maar onze verdeeldheid maakt het machtig.