Op 13 maart bekrachtigde de federale regering-Wilmès het tariefakkoord tussen de tandheelkundigen en de ziekenfondsen. Daarmee liggen de tarieven vast die de tandartsen de komende twee jaar mogen vragen. Eén probleem: 4144 tandartsen (39%) lieten aan het Rijksinstituut voor de Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (Riziv) weten dat ze de conventietarieven niet toepassen.
...

Op 13 maart bekrachtigde de federale regering-Wilmès het tariefakkoord tussen de tandheelkundigen en de ziekenfondsen. Daarmee liggen de tarieven vast die de tandartsen de komende twee jaar mogen vragen. Eén probleem: 4144 tandartsen (39%) lieten aan het Rijksinstituut voor de Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (Riziv) weten dat ze de conventietarieven niet toepassen. "Dat almaar meer tandartsen het tariefakkoord verwerpen, valt niet meer te ontkennen", zegt Frieda Gijbels (N-VA), federaal parlementslid en zelf parodontoloog. "Dezelfde trend zien we in andere disciplines in de zorg, alleen is het bij de tandheelkundigen wel erg extreem. Het wordt almaar moeilijker om nog een tariefakkoord af te sluiten." Dat ruim 39 procent van de tandartsen het tariefakkoord verwerpt, is een alarmbel die duidelijk maakt dat er iets grondig fout loopt in onze ziekteverzekering. In België betaalt iemand die bij een dokter langsgaat in principe alleen het remgeld, de sociale zekerheid past de rest bij. Het is een van de hoekstenen van de Belgische ziekteverzekering en moet de patiënt aanzetten verantwoordelijk om te springen met het zorgaanbod. Het remgeld dekt doorgaans ongeveer een kwart van de reële kostprijs. Wie kiest voor een zorgverstrekker die het tarievenakkoord niet heeft ondertekend - in het jargon een niet-geconventioneerde tandarts - betaalt doorgaans een hogere eigen bijdrage. Je zou verwachten dat tandartsen die duurder zijn voor de patiënt, zich uit de markt prijzen. Maar toch stijgt het aantal tandartsen dat zich niet aan de officiële tarieven houdt gestaag. Het succes van de aanvullende tandverzekeringen is daar een gevolg van ( lees blz. 11). De werkelijkheid is zelfs nog sterker dan de officiële statistieken doen vermoeden. Het Riziv rekent ook wie het tariefakkoord slechts gedeeltelijk onderschrijft bij de geconventioneerde tandartsen. Nochtans werken die alleen op bepaalde uren volgens de officiële tarieven. Daarbuiten kunnen ook zij vragen wat ze willen. Bovendien zijn er onder de geconventioneerde tandartsen heel wat 65-plussers. Het is maar de vraag of die nog een bloeiende praktijk hebben. En het kan nog gekker: ook 1707 tandartsen die niet meer actief zijn, worden meegeteld om het tariefakkoord mogelijk te maken, want volgens de wet moet 60 procent van alle Belgische tandartsen kiezen voor de officiële tarieven. In Vlaanderen halen we die drempel niet. En in zeven Vlaamse arrondissementen trekt al meer dan de helft van de tandartsen zich niks aan van de officiële tarieven ( zie tabel). In feite geldt het tariefakkoord daar zelfs niet. Kortom: het model van een collectief gefinancierde tandzorg staat op losse schroeven. 1. De tarieven zijn te laagEen tandarts die het tariefakkoord verwerpt, doet dat soms om principiële redenen, maar vaak ook omdat de tarieven te laag zijn. "De stijging van de honoraria volgt de stijging van de kosten in de tandartspraktijken onvoldoende", zegt Stefaan Hanson, de woordvoerder van het Verbond der Vlaamse Tandarsen (VVT). "Als beroepsvereniging worden we daarop aangesproken. Maar het is de regering die bepaalt hoeveel geld er naar de tandzorg gaat. Wij verkiezen om over de verdeling van dat budget een compromis te sluiten in de Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen. Dat lijkt ons nog altijd beter dan de tarieven volledig aan de politiek over te laten." Daarmee is het probleem van de tandartsen niet opgelost. Door hygiënische voorschriften en de technologische vooruitgang kost een tandartspraktijk almaar meer. "Je leert aan de universiteit werken volgens een bepaald systeem om tot een voorspelbaar resultaat te komen. Daarvan afwijken om toch maar uit de kosten te komen, creëert problemen op lange termijn", vertelt Erik Mortelmans, een van de tandartsen van de vorig jaar opgerichte Denktank Tandartspraktijk 2040. De tarieven zijn nu te veel nattevingerwerk, valt te horen onder de tandartsen. Ook de beroepsverenigingen zijn zich daarvan bewust. "Wij vragen al langer dat er een kostprijsanalyse komt", zegt Hanson. "Maar dat wordt steeds weer uitgesteld. Uiteindelijk beseft de minister dat zo'n analyse alleen kan leiden tot het besluit dat de tarieven omhoog moeten." 2. De vergrijzingSommige ingrepen vragen meer tijd bij oudere mensen dan bij jongere. Een tand trekken bij iemand ouder dan 53 jaar levert de tandarts 57,50 euro op, de hechting inbegrepen. "Door het aantal vullingen en ontzenuwde tanden wordt het werken aan zo'n gebit ingewikkelder. Ik heb dus meer tijd nodig om een tand te trekken. En tijd wordt onvoldoende verrekend in de tarieven." 3. De technologische evolutieDe officiële tarieven dekken ook onvoldoende de hoge kosten van een moderne tandartspraktijk. Zoals in alle medische beroepen maakt de technologische evolutie betere zorg mogelijk, maar daaraan hangt een prijskaartje. "Natuurlijk kunnen we ook veel doen zonder al die chique toestellen", geeft tandarts Olivia Putman toe. "Maar de technologie heeft vaak wel een meerwaarde. Als tandarts moet je dus een evenwicht bewaren tussen welke investeringen goed zijn voor de patiënt en welke technologie de leefbaarheid van je praktijk kan ondergraven." 4. De leveranciers verhogen hun prijzen Er is ook een spanning tussen de vrije markt van de toeleveringsbedrijven in de dentale industrie en de semi-gereguleerde tandartspraktijk. "Mijn leveranciers voeren prijsverhogingen en indexaanpassingen door, terwijl op ons budget beknibbeld wordt", vertelt Putman. "Op die manier hebben wij procentueel almaar minder marge. Dat is al jaren bezig." 5. De nomenclatuur is verouderd Door talrijke categorieën en onlogische uitzonderingen kunnen tandartsen zich steeds minder vinden in de nomenclatuur, de officiële prijslijst zeg maar. "De nomenclatuur volgt onvoldoende de ontwikkeling van wat in ons vakgebied als goede zorg geldt", zegt Gijbels. "Technologie en wetenschap evolueren. We zouden om de paar jaar een volledige evaluatie van ons basispakket moeten doen. Dat gebeurt nu nauwelijks. Er is altijd voortgebouwd op wat er al bestond, terwijl we ons moeten afvragen wat we nodig hebben. Iedereen weet dat er moet worden hervormd, maar niemand wil bij de verliezers van een hertekening zitten." Als ergens duidelijk wordt dat het Belgische overlegmodel op zijn grenzen botst, dan is dat wel in de tandzorg. De verplichte ziekteverzekering dekt er nog nauwelijks de noodzakelijke kosten. Afhankelijk van de bron dragen patiënten in ons land al 50 tot 80 procent van de kosten zelf (zie kader Een pensioensnoepje als lokmiddel). Een tandarts die zich niet meer kan vinden in het tariefmodel, heeft twee opties: meer geld vragen of beknibbelen op de kwaliteit. Beide scenario's zijn een probleem. Het eerste omdat een geneeskunde met twee snelheden dan een feit is, het tweede omdat inboeten op de kwaliteit de volksgezondheid ondermijnt. Een voorbeeld maakt de ernst van de situatie duidelijk. Neem een vijftiger die last heeft van een tandvleesontsteking. Die moet naar de parodontoloog. Is hij ouder dan 55, dan heeft hij pech. Om de een of andere reden dekt de verplichte ziekteverzekering die behandeling dan niet meer. Nochtans komt parodontitis vanaf die leeftijd vaker voor en dreigt zo iemand, als de ontsteking onbehandeld blijft, op termijn zijn tanden te verliezen. "Zo'n onbehandelde chronische infectie heeft invloed op de algemene gezondheid", zegt Frieda Gijbels. "Diabetes, dementie en hart- en vaatziekten worden steeds vaker in verband gebracht met parodontale problemen." Onze vijftiger moet dus wel iets laten doen, maar hij moet daar zelf voor opdraaien. Het echte probleem is dat het budget dat de verplichte ziekteverzekering uittrekt voor tand- en mondzorg onder het Europese gemiddelde zit. Voor dit jaar is in ruim 1060 miljoen euro voorzien, ongeveer 3 procent van het volledige budget voor de ziekteverzekering. In onze buurlanden ligt dat tussen 5 en 10 procent. In Duitsland is het zelfs 10 procent. Daarom vroegen de ziekenfondsen en de zorgverstrekkers in hun begrotingsvoorstel voor 2020 extra middelen voor tandzorg. Minister van Sociale Zaken Maggie De Block (Open Vld) weigerde dat. In de uiteindelijke begroting zit wel een indexaanpassing, maar bijkomende middelen ontbreken. Bij de onderhandelingen over het jongste tariefakkoord drongen de tandartsen alsnog aan op een verhoging van hun erelonen. Uiteindelijk sloot de Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen een compromis en kwam er een proefproject met maximumtarieven. Geconventioneerde tandartsen mogen nu maximumtarieven vragen voor een aantal standaardingrepen. Dat betekent dat ze hogere maar geplafonneerde erelonen mogen aanrekenen. Ze mogen die verhoging slechts toepassen voor 25 procent van hun verstrekkingen. "We hebben die maxima aanvaard, maar met een duidelijk kader met randvoorwaarden", vat Paul Callewaert, de algemeen secretaris van het Socialistisch Ziekenfonds, het compromis samen.