Of het nu het planbureau is, de Nationale Bank of studies van economen: allen komen ze tot de conclusie dat het beleid van de regering-Michel I de koopkracht heeft ondersteund. Via banencreatie door de lastenverlaging op arbeid en dankzij de hervorming van de personenbelasting, waardoor Belgen hun nettoloon zien stijgen. KBC voorspelde dat het reëel beschikbare gezinsinkomen dit jaar met 2,2 procent zou stijgen. Dat stimuleert de binnenlandse vraag en ondersteunt de groei. Dat is cruciaal voor een exportland als België, dat heel snel de gevolgen merkt van een vertragende internationale conjunctuur en straks de factuur van een harde brexit gepresenteerd dreigt te krijgen.

In de volgende legislatuur is behoefte aan een nieuwe verregaande taxshift.

De positieve impact van de stijgende koopkracht op de economie is goed nieuws, maar de maatregelen van de voorbije jaren zijn maar een eerste stap. Het beschikbare inkomen van de Belgen zou nog meer moeten stijgen. De belastingdruk ligt nog altijd heel hoog. De sociale partners onderhandelen voor 2019-2020 over een reële loonmarge van 0,8 procent , maar dat is vooral te danken aan het feit dat de loonkosten in de buurlanden sterker gestegen zijn dan in België. En omdat geen rekening wordt gehouden met de historische loonhandicap van voor 1996, die zo'n 10 procent bedraagt.

De nieuwe wet op de loonnorm die de regering-Michel I invoerde, doet die historische handicap dalen, maar heel traag. In de volgende legislatuur is behoefte aan een nieuwe verregaande taxshift, of beter een nieuwe taxcut op arbeid. De verdere verhoging van het belastingvrije minimum dringt zich op. Die moet vooral dienen om een baan aantrekkelijker te maken voor laaggeschoolde werklozen. En er wordt het beste nog maar eens gewied in de te talrijke en te hoge belastingtarieven in de personenbelasting.