Januari is een leuke maand voor wie een baan heeft. Sinds 31 december krijgen de meer dan 450.000 werknemers in het paritair comité 200, dat is een kwart van alle bedienden, 2,16 procent meer brutoloon. Dat is een gevolg van de aanpassing van de salarissen aan de levensduurte. Het is de hoogste indexering sinds 2013 (2,35%). Ook alle andere werknemers kunnen rekenen op een indexaanpassing, al hangt het tijdstip af van sector tot sector.
...

Januari is een leuke maand voor wie een baan heeft. Sinds 31 december krijgen de meer dan 450.000 werknemers in het paritair comité 200, dat is een kwart van alle bedienden, 2,16 procent meer brutoloon. Dat is een gevolg van de aanpassing van de salarissen aan de levensduurte. Het is de hoogste indexering sinds 2013 (2,35%). Ook alle andere werknemers kunnen rekenen op een indexaanpassing, al hangt het tijdstip af van sector tot sector. Daarbovenop ziet elke werknemer deze maand zijn nettoloon met nog eens 36 euro of meer toenemen, berekende de hr-dienstverlener SD Worx. Een gevolg van de derde en laatste fase van de taxshift. Die verlaagt de fiscale druk in de personenbelasting door een verschuiving in de tarieven. De belastingvrije som wordt verhoogd tot 4785 euro. En de belastingschijf van 40 procent wordt breder gedefinieerd, zodat we minder snel in een hogere belastingschijf terechtkomen. En het goede nieuws voor de werknemers houdt niet op. De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) stelt in zijn jongste rapport voor de periode 2019-2020 een loonnorm van 0,8 procent boven op de automatische loonindexering voor. Dat zou de op een na (1,1% in 2017-2018) sterkste koopkrachttoename betekenen sinds 2007-2008. De sociale partners in de Groep van Tien buigen zich nu over dat voorstel. Het is bekend dat de vakbonden die 0,8 procent te mager vinden. ABVV-voorzitter Robert Vertenueil pleitte begin januari voor een reële loonstijging van 1,1 tot 1,4 procent. Want volgens de vakbonden is de koopkracht de voorbije jaren niet gestegen. Meer nog, de belastingverlagingen zouden onvoldoende zijn om de gestegen prijzen van allerlei producten en diensten te compenseren. Het eerste syndicale salvo kwam eind november 2018, toen de vakbonden op basis van cijfers van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) berekenden dat de Belgische werknemers de afgelopen drie jaar 2,3 procent koopkracht verloren. Fake news, reageerden de werkgevers en de federale regeringspartijen. Of op zijn minst een begripsverwarring. Wie heeft gelijk? Wat zijn feiten en wat zijn fabels in de koopkrachtdiscussie? Trends zoekt het uit. De 2,3 procent minder koopkracht die de Internationale Arbeidsorganisatie in België ziet, gaat over de evolutie van de brutolonen. Dat die gemiddeld dalen, komt omdat almaar meer laaggeschoolden aan de slag gaan, tegen relatief lage lonen. Bovendien wordt geen rekening gehouden met de lagere personenbelasting dankzij de taxshift, waardoor de werknemers netto meer overhouden. Daarvan is in de brutolonen niets te merken. "In deze discussie is er vaak begripsverwarring. En bij onduidelijkheid drives the bad news the good news out", zegt Edward Roosens, de hoofdeconoom van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO). "Ik geef een ander voorbeeld: de Europese Commissie publiceert een indicator onder de naam ' real compensation per employee'. Dat klinkt als de ontwikkeling van de 'reële bruto- of nettolonen per werknemer', maar eigenlijk meet die index de reële loonkosten, dus inclusief patronale bijdragen. Deze regering heeft met de taxshift hard gewerkt om de kloof tussen de loonkosten en het nettoloon te verminderen. De loonkosten per uur zijn daardoor in 2016 bijvoorbeeld licht gedaald, maar de nettolonen zijn fiks gestegen." (zie grafiek Nettoloon stijgt sneller dan brutoloon) "De evolutie van de koopkracht meet je het beste met het reëel beschikbaar inkomen", benadrukt Voka-hoofdeconoom Bart Van Craeynest. "Dat is het netto-inkomen na belastingen en sociale uitkeringen, en gecorrigeerd voor de inflatie. Welnu, volgens het Planbureau stijgt het reëel beschikbaar inkomen van de gezinnen in 2018-2019 met 3,7 procent." Meer zelfs, het rapport van het Planbureau laat zien dat het reëel beschikbaar inkomen van de gezinnen sinds 2013 ononderbroken toeneemt (zie grafiek Beschikbaar inkomen gezinnen stijgt al jaren). Ook volgens de Nationale Bank is het reëel beschikbaar inkomen van de Belgische gezinnen tussen 2014 en 2018 met 4,3 procent gestegen. Normaal komt daar in 2019 nog eens 2 procent bij, door de taxshift, de lagere olieprijzen, een sterke werkgelegenheidsgroei en een reële loonstijging. In de komende drie jaar zou de koopkracht met meer dan 5 procent toenemen, voorspelde de Nationale Bank in december. De vakbonden beweren vaak dat de toename van het inkomen in belangrijke mate via de vermogens gebeurt, maar dat klopt niet. De stijging is grotendeels een gevolg van de hogere inkomens uit arbeid. Roosens: "Dat is logisch, gezien de reële loonstijgingen die in het sociaal overleg zijn overeengekomen (0,6% in 2015-2016 en 1,1% in 2017-2018) en vooral door de tienduizenden nieuwe banen die zijn gegenereerd. We zien bijvoorbeeld dat de werkgelegenheidsgroei in de privésector al enige jaren veel sterker is dan je op basis van de economische groei zou verwachten. De groei van de werkgelegenheid - 1,5 procent - is momenteel zelfs bijna even hoog als de economische groei, wat zeer uitzonderlijk is." Daarnaast is er de lagere personenbelasting. "Een werknemer met een brutoloon van 2000 euro ging er door de taxshift over de periode 2016-2019 met 12 procent op vooruit, wat hem in januari van dit jaar netto ongeveer 168 euro extra per maand oplevert, los van de indexeringen. Maar ook de hogere lonen gingen er netto op vooruit, met ongeveer 125 euro voor een brutoloon van 5000 euro", zegt Kristiaan Andries van SD Worx. Het reëel beschikbaar inkomen stijgt onmiskenbaar, maar we spreken dan wel van het gemiddelde. "En dat maskeert grote verschillen", zegt de Waalse econoom Philippe Defeyt. "Hoe lager het inkomen, hoe meer mensen van wie het consumptiepatroon niet overeenkomt met het gemiddelde. Huur, voeding en energie wegen in die groep zwaarder dan in de hogere inkomensklassen. En uitgerekend die zaken zijn de voorbije jaren duurder geworden. Dat bijvoorbeeld elektriciteit (+78%) en boter en aardappelen (+48%) de voorbije vier jaar veel duurder zijn geworden, is voor de lagere inkomensgroepen heel pijnlijk. Toch wil Voka-hoofdeconoom Bart Van Craeynest een aantal cijfers in perspectief plaatsen: "De voorbije vier jaar is het algemene prijspeil met 8,3 procent gestegen. Voeding werd gemiddeld 8,7 procent duurder, een woning huren 3,8 procent. Minder dan de inflatie dus. Je kunt dus niet zomaar beweren dat de prijsstijgingen vooral de lagere inkomens raken. Al klopt het natuurlijk dat de evolutie van het reëel beschikbaar inkomen een gemiddelde is, en niet iedereen er evenveel op vooruitgaat. Maar wie uit de werkloosheid geraakt, ziet zijn koopkracht sterker stijgen dan wie al een baan heeft." Het Planbureau noch de Nationale Bank heeft cijfers over de koopkrachtstijging per inkomenscategorie. Een studie van de Leuvense econoom André Decoster van eind vorig jaar levert die wel. Hij splitste per inkomensdeciel op wat het effect is van de maatregelen van de regering-Michel (belastingverlagingen en -verhogingen, aanpassingen van de uitkeringen) op de koopkracht. Het gaat dus om simulaties, niet om reële cijfers. De studie vindt een gemiddelde stijging van het beschikbaar gezinsinkomen tussen 2014 en 2020 van 5,2 procent. De bovenste helft van de inkomens gaat het sterkst vooruit. De 60 tot 90 procent hoogste inkomens zien hun inkomen met 6 tot 7 procent toenemen. Bij de lagere decielen zitten we aan 4 en zelfs één keer 3 procent koopkrachtstijging (zie grafiek Koopkracht stijgt vooral bij hogere inkomens). Dat is een gevolg van de focus van de regering, die vooral de belastingen voor werkenden wou verlagen. De hogere btw en accijnzen hebben een duidelijk negatief effect op alle inkomensgroepen, maar wegen het zwaarst op het laagste deciel. Al moet er ook bij gezegd worden dat de welvaartsaanpassingen van het leefloon en de werkloosheidsuitkeringen een positief effect hebben op de laagste inkomens. Bij een welvaartsaanpassing volgen de (meestal laagste) uitkeringen niet alleen de inflatie maar ook de reële loonstijgingen. De vakbonden verwijzen regelmatig naar de indexsprong, waardoor tussen april 2015 en april 2016 loonsverhogingen ten belope van 2 procent niet zijn toegekend. Dat zijn inkomsten die nooit meer terugkomen, volgens de vakbonden. ACV-voorzitter Marc Leemans stelde dat, over een loopbaan van 45 jaar, de indexsprong overeenkomt met één jaar gratis werken. Roosens reageert: "De indexsprong versterkte de concurrentiekracht van onze economie, waardoor er banen bij kwamen en dus de koopkracht toenam." "Bovendien werden de brutolonen tussen 2014 en 2018 altijd aangepast aan de stijging van de levensduurte, behalve ten tijde van die ene indexsprong. Puur door de indexeringen zijn de brutolonen tussen begin 2015 en begin 2019 dan ook met een kleine 5 procent gestegen. In die periode steeg de gezondheidsindex met 7,1 procent, dus inclusief alle verhogingen van elektriciteits-, stookolie-, water- of voedingprijzen. Op het eerste gezicht is dat een verlies van koopkracht. Maar als we de boni dankzij de taxshift verrekenen, dan zien we een reële loonstijging van 2,5 procent voor de hoge lonen, en liefst 9,3 procent voor de lage lonen." De lagere lonen profiteren dus het meest van de hervormingen in de personenbelasting sinds 2016. Het belastingtarief van 30 procent is verdwenen, waardoor een groter deel van het inkomen wordt belast tegen 25 procent. De inkomensschijf van 40 procent werd verbreed, zodat een werknemer minder snel in de schijf van 45 procent terechtkomt. Kristiaan Andries: "Voor de lage lonen is er nog een extraatje: de belastingvermindering voor de werknemers met lage lonen die recht hebben op een sociale werkbonus (sociale bijdragen worden de facto omgezet in loon) stijgt van 28,03 naar 33,14 procent." Eind vorig jaar was in de wandelgangen van de Kamer een gerucht te horen. In een poging de linkerzijde te paaien opdat ze haar steun zou geven aan de minderheidsregering-Michel II, kon gepraat worden over een verlaging van de btw op elektriciteit van 21 naar 6 procent. Open Vld verzette zich tegen zo'n maatregel. Toch blijft de evolutie van de energieprijzen het debat beroeren, zeker bezuiden de taalgrens waar het Franse gelehesjesprotest af en toe doorsijpelt. De PS en de vakbonden zeggen dat minder btw op elektriciteit de koopkracht verhoogt. Een voorbeeld: wie vandaag 1000 euro per jaar betaalt voor zijn elektriciteit zou na een btw-verlaging van 21 naar 6 procent zijn factuur zien dalen tot 876 euro. Een gezin met een jaarlijkse factuur van 500 euro zou 62 euro per jaar minder moeten betalen. Maar in een recente studie waarschuwde de Waalse econoom Philippe Defeyt voor de negatieve effecten van zo'n lager btw-tarief. Defeyt heeft twee bezwaren. Ten eerste zou een lagere factuur vooral de veelverbuikers en de hogere inkomens ten goede komen. Ten tweede is minder btw op elektriciteit eigenlijk een verkapte indexsprong. Elektriciteit maakt deel uit van de korf van producten en diensten die gebruikt worden om de index aan de levensduurte te bepalen. Als de prijs van de elektriciteit door een btw-verlaging daalt, dan kan het dat de indexering van de lonen wordt uitgesteld. Wat men wint door een lagere factuur, verliest men dus door een minder snel stijgend loon. De regering-Di Rupo verlaagde in het voorjaar van 2014 al eens de btw op elektriciteit. In september 2015 draaide de regering-Michel die maatregel terug. Defeyt berekende dat mocht de btw op elektriciteit in 2018 verlaagd zijn naar 6 procent, de indexering van de lonen in december 2018 hebben plaatsgevonden, en niet in augustus.