De West-Vlaamse gemeente Koekelare investeert dit jaar meer dan 2,2 miljoen euro in wegenwerken en de restauratie van het gemeentehuis. Het Kempense Balen heeft 6 miljoen euro veil voor investeringen in 'wegenis- en rioleringswerken'. Mechelen maakte tussen 2014 en vandaag 30 miljoen euro vrij voor monumentenzorg. Kortrijk kijkt al naar de volgende bestuursperiode en trekt het investeringsbedrag op van 242 naar 278 miljoen euro in 2019.
...

De West-Vlaamse gemeente Koekelare investeert dit jaar meer dan 2,2 miljoen euro in wegenwerken en de restauratie van het gemeentehuis. Het Kempense Balen heeft 6 miljoen euro veil voor investeringen in 'wegenis- en rioleringswerken'. Mechelen maakte tussen 2014 en vandaag 30 miljoen euro vrij voor monumentenzorg. Kortrijk kijkt al naar de volgende bestuursperiode en trekt het investeringsbedrag op van 242 naar 278 miljoen euro in 2019. Vlaanderen en België krijgen dan wel vaak het verwijt dat ze te weinig investeren, maar aan de plaatselijke besturen zal het niet liggen. De steden en gemeenten zijn goed voor ongeveer 40 procent van de overheidsinvesteringen, maar hun schulden bedragen slechts 5 procent van de Belgische staatsschuld.Maar ook de lokale besturen doen het rustiger aan. Traditioneel pieken de investeringen in een verkiezingsjaar, maar dat is deze keer minder het geval. Volgens een studie van de Nationale Bank liggen de investeringen van de lokale besturen momenteel onder 1 procent van het bbp, terwijl dat in de verkiezingsjaren 2000 en 2012 rond 1 procent draaide. (zie grafiek Lokale overheden investeren relatief weinig). Zoals verwacht, liepen de investeringen van de lokale overheid in de twee jaar na de verkiezingen van 2012 terug. In 2015 namen ze verder af in plaats van opnieuw aan te trekken, zoals in het midden van een bestuursperiode de gewoonte is. In 2016 bedroegen de gerealiseerde investeringen 0,6 procent van het bbp (2,6 miljard euro), het laagste niveau in dertig jaar. Daarna namen de investeringen wel toe, maar ze bleven onder het niveau van dat in vroegere verkiezingsjaren.Het jaarlijkse Belfius-rapport van de gemeentefinanciën leert dat het investeringsbudget van de Vlaamse gemeenten dit jaar met 6,5 procent klimt tot boven 3 miljard euro. Dat is een relatief lichte stijging in vergelijking met het verleden, toen in het laatste jaar voor de lokale verkiezingen een piekniveau werd opgetekend. Bovendien gaat het over de gebudgetteerde investeringen. De investeringen die echt werden gerealiseerd, bedragen jaarlijks minder dan 1,5 miljard euro. In 2012 was dat nog bijna 2 miljard euro. De realisatiegraad schommelt nu al jaren rond 50-60 procent Kortom, de lokale investeringsmotor sputtert terwijl die nochtans gezien wordt als de belangrijkste indicator voor de toestand en de vooruitzichten van de lokale financiën. Want om te investeren moeten de overheden er zeker van zijn dat de gevolgen van de investeringen betaalbaar zijn. De oorzaak van die lagere investeringsappetijt is voor een deel te zoeken in de strengere begrotingsregels die de Vlaamse overheid heeft opgelegd in de zogenoemde beleid- en beheerscyclus die in 2014 werd ingevoerd. Die bepaalt dat steden en gemeenten een jaarlijks kasevenwicht moeten voorleggen. Dat is het verschil tussen ontvangsten en uitgaven, vermeerderd met het resultaat van de voorbije jaren. Daarnaast moesten ze een meerjarenplanning opstellen om tegen het einde van de legislatuur structureel gezond te zijn. Concreet moet het verschil tussen alle inkomsten en ontvangsten enerzijds, en alle uitgaven en intrestlasten plus aflossingen van leningen anderzijds, in 2019 positief zijn. In vaktermen heet het dat de autofinancieringsmarge positief moet zijn.Vandaag voldoen de Vlaamse lokale besturen aan die normen, maar daar hebben ze een zware inspanning voor gedaan. In 2013 hadden 117 van 308 Vlaamse gemeenten een negatieve autofinancieringsmarge. In 2017 waren er dat nog amper 5. Volgend jaar zullen er geen meer zijn. De Vlaamse gemeenten hebben de hand op de knip moeten houden om die doelstellingen te halen. De primaire uitgaven zijn tussen 2013 en 2017 gedaald. Dit jaar doen de Vlaamse gemeenten hun uitgavenbudget opnieuw groeien met 3 procent (zie grafiek Primaire uitgaven zijn gedaald). De belastingvoeten bleven stabiel. Het tarief van de aanvullende personenbelasting bedraagt dit jaar gemiddeld 7,21 procent. Dat is evenveel als in 2013, al zijn er natuurlijk grote verschillen tussen gemeenten (zie kader Waarom de belasingtarieven verschillen). De opcentiemen op de onroerende voorheffing stegen in Vlaanderen van 850 naar 880 tussen 2013 en 2014, maar bleven daarna stabiel (zie grafiek Belastingdruk bleef stabiel). Een op de tien gemeenten heeft de aanslagvoeten in 2014 en 2015 verhoogd na het uittekenen van hun beleidsplannen 2014-19. In de loop van de bestuursperiode lieten sommige gemeenten de aanslagvoeten dalen. De lokale belastingen, zoals bedrijfsbelastingen en die op huisvuil, werden wel licht verhoogd, maar die heffingen maken amper 15 procent van de fiscale inkomsten uit. De steden en gemeenten kozen dus voor gemakkelijke jarenlange belastingverhogingen om hun budgettaire doelstellingen te halen. De investeringen zijn daarentegen gedaald. Mieck Vos, algemeen directeur van de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten (VVSG), vindt nochtans de kritiek op het gebrek aan investeringen onterecht: "Hier en daar zullen wel investeringen uitgesteld of geschrapt zijn. Toch zien we dat de voor de periode 2014-2019 geplande investeringen in materieel vaste activa ongeveer gelijk waren aan die van de zes jaar voordien. In de eerste jaren werden er daarvan wel wat minder gerealiseerd, mogelijk deels omdat de besturen het nieuwe systeem nog in de vingers moesten krijgen. De VVSG ondervroeg de gemeenten over de realisatiegraad van hun geplande investeringen. "Tussen 2014 en 2017 is de realisatiegraad van investeringen in materieel vaste activa toegenomen: van 46,6 procent in 2014 naar 59,1 procent in 2017. Financiële onzekerheid is de belangrijkste rem op investeringen. Ik denk aan twee belangrijke elementen: de onzekerheid over het bedrag en de timing van belangrijke Vlaamse investeringssubsidies voor bijvoorbeeld rioleringen of scholenbouw. En de grote onzekerheid over de toekomstige pensioenfactuur. Dat laatste is veruit de grootste uitdaging voor de komende jaren."De lokale overheden financierden lange tijd volledig zelf de pensioenen van hun statutaire ambtenaren. Er bestonden daarvoor verschillende systemen, maar het belangrijkste was de Rijksdienst voor de Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten. Dat systeem werd gefinancierd op basis van repartitie: een bijdrage op het loon van de actieve ambtenaren werd gebruikt om de gepensioneerde statutaire ambtenaren te betalen. Dat systeem kwam onder zware druk, omdat steeds minder werkende ambtenaren steeds meer gepensioneerden moesten financieren. Bovendien deden de lokale overheden steeds meer een beroep op contractuele ambtenaren, die niet bijdragen aan de kas van de statutaire gepensioneerden. En daarbovenop hadden contractuelen aan het einde van hun loopbaan recht op een statutair pensioen, hoewel ze amper hadden bijgedragen. Om een faillissement te vermijden, werd het systeem in 2012 hervormd op basis van twee principes: solidariteit en responsabilisering. Alle besturen betalen sindsdien dezelfde bijdragevoet aan een gesolidariseerd pensioenfonds. Die bijdragevoet is geleidelijk gestegen tot een uniforme 41,5 procent. Dat heeft de loonkosten van de lokale besturen met 60 procent doen stijgen. Daarna is een responsabiliseringsbijdrage ingevoerd. Gemeentebesturen waarvan de pensioenuitgaven hoger liggen dan wat ze aan het fonds bijdragen, moeten die betalen. In 2017 was dat voor alle Vlaamse gemeenten samen 168 miljoen euro. Tegen 2023 zal dat oplopen richting 443 miljoen euro. De pensioenlasten voor vastbenoemd personeel wegen steeds meer op de gemeentelijke uitgaven. Ook al doen de gemeenten het met minder ambtenaren, de personeelsuitgaven blijven stijgen, vorig jaar met 3,4 procent. Dit jaar geven de Vlaamse steden en gemeenten 6,5 miljard euro uit aan personeel. Meer dan 900 miljoen of 15 procent daarvan zijn pensioenlasten. Het extra geld dat via het Gemeentefonds naar de lokale besturen vloeit - 80 miljoen per jaar - gaat bijna volledig op aan de financiering van de pensioenen.Mieck Vos van de VVSG hoopt dat de volgende federale regering een groter deel van de pensioenfactuur op zich neemt: "Ze zou kunnen beslissen dat de lokale pensioenuitgaven bevroren worden en dat zij het saldo financiert, zoals de Schatkist ook het stelsel van de werknemers en van de zelfstandigen ondersteunt. De vergrijzing zadelt de gemeenten ook op met extra kosten voor woon-zorgvoorzieningen. En dan heb ik het nog niet over het negatieve effect op de inkomsten uit de aanvullende personenbelasting." Dit is de volgende uitdaging voor de lokale besturen: stabiele belastinginkomsten. In de afgelopen bestuursperiode stegen die met 3,4 procent per jaar, en in 2018 met 1,1 procent. De belastingontvangsten bedragen 5,1 miljard euro en leveren 52 procent van de werkingsmiddelen. 85 procent komt uit de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing. Elk is goed voor meer dan 2 miljard euro. De rest zijn lokale belastingen. Maar de opbrengst van de aanvullende personenbelasting stagneert al twee jaar. De boosdoener is de federale taxshift, en dat is nog maar een begin. Dat zit zo: gemeenten heffen opcentiemen op de personenbelasting. Als een regering die laatste verlaagt, voelen de gemeenten dat ook. Toen de regering in de jaren 90 besliste de belastingschalen in de personenbelasting niet te indexeren, had dat een positieve impact op de ontvangsten uit de aanvullende personenbelasting.Maar de federale taxshift van 2015 holt de belastbare basis voor de gemeentelijke aanvullende personenbelasting uit. Volgens de federale overheidsdienst Financiën kost de taxshift de steden en gemeenten dit jaar 131 miljoen euro. Tegen 2021 zal dat oplopen tot 331 miljoen euro. "Mogelijk is er een beetje terugverdieneffect door hogere groei, stijging van inkomens, meer mensen aan het werk", zegt Mieck Vos.Belfius verwacht niet dat de steden en gemeenten de belastingen zullen verhogen om de minderinkomsten door de taxshift op te vangen. Ook de steden en gemeenten die Trends contacteerde lieten unaniem weten dat belastingverhogingen niet op het programma staan. Al kan dat na de verkiezingen anders zijn. Als de belastingen straks toch verhoogd worden, dan zal het wellicht zijn om de oplopende factuur van de leeflonen te financieren. De gemeenten moeten in de meeste gevallen zowat de helft van de leeflonen betalen, de rest komt van de federale overheid. In deze legislatuur is het aantal leefloners gestegen van 70.000 naar meer dan 110.000. Dat is een gevolg van een strenger systeem voor werkloosheidsuitkeringen. Ook de stijging van het aantal erkende vluchtelingen met recht op een leefloon speelt een rol. Daarnaast vragen meer studenten een leefloon aan. In euro's van vandaag kostten de leeflonen in 2000 zo'n 42 miljoen euro. De factuur bedraagt nu 1,2 miljard euro. Het ziet ernaar uit dat die nog zal stijgen.