Een effectentaks bis, de vergroening van de fiscaliteit op bedrijfswagens: minister van Financiën Vincent Van Peteghem (CD&V) heeft de voorbije maanden niet stilgezeten. Maar de hoofdschotel volgt nog: een grote fiscale hervorming uittekenen. Dan vallen er al vlug woorden als 'rechtvaardige fiscaliteit' en 'eenvoudige en efficiënte belastingen'. Over groeibevorderende fiscaliteit, waarbij gekozen wordt voor belastingen die de economie het minst schade berokkenen, horen we zelden iets.
...

Een effectentaks bis, de vergroening van de fiscaliteit op bedrijfswagens: minister van Financiën Vincent Van Peteghem (CD&V) heeft de voorbije maanden niet stilgezeten. Maar de hoofdschotel volgt nog: een grote fiscale hervorming uittekenen. Dan vallen er al vlug woorden als 'rechtvaardige fiscaliteit' en 'eenvoudige en efficiënte belastingen'. Over groeibevorderende fiscaliteit, waarbij gekozen wordt voor belastingen die de economie het minst schade berokkenen, horen we zelden iets. "Er is al jaren een framing van het fiscaliteitsdebat", zegt Ivan Van de Cloot, de hoofdeconoom van de denktank Itinera. "Het debat gaat over gelijkheid. We moeten de fiscaliteit hervormen en inzetten op meer herverdeling, hoor ik dan. Ja, dat is één standpunt. Mijn visie is dat we belangrijke zaken moeten financieren, zoals de pensioenen. En als je die van minder dan 1000 euro niet meer kunt financieren, dan spreek ik over armoede. Zorg ervoor dat er voldoende groei is om die pensioenen te betalen. Ons welvaartssysteem wordt gemaakt of gekraakt door 0,5 procent meer groei per jaar. Welnu, de fiscaliteit en de belastingmix kunnen daarbij een hefboom zijn. De eerste regel zou trouwens moeten zijn dat de beste belastinghervorming een verlaging van de fiscale druk is. Kies je voor een verschuiving, dan houd je in het achterhoofd dat er eigenlijk geen groeivriendelijke belastingen bestaan. Wel is het ene nefaster dan het andere." De vennootschapsbelasting is de meest nefaste belasting, vindt Van de Cloot. Dan volgt de personenbelasting. "Consumptiebelastingen zitten lager in de hiërarchie", gaat hij verder. "Net als die op vastgoed. Dat vermogenstaksen geen slechte zaak zijn voor de groei, daar zie ik toch weinig evidentie voor. Milieubelastingen staat wel onderaan de ladder." Die ranking dient als een hulpmiddel voor vijf wegwijzers naar een minder groeiverstorende fiscaliteit. De voorbije jaren is de belastingdruk op arbeid in België met 2,3 procent gedaald, dankzij de hervorming van de personenbelasting met een aanpassing van de tarieven en een verlaging van de sociale bijdragen op het loon. Toch blijven de loonkosten in België bij de hoogste van de Europese Unie. De impliciete druk op arbeid (de verhouding tussen de belasting en het inkomen uit arbeid) is met 44 procent de hoogste van Europa. Een verdere verlaging van de arbeidskosten dringt zich op. Er is een bibliotheek volgeschreven met economische literatuur over het groeiverstorende effect van hoge lasten op arbeid. Die zetten de competitiviteit van de bedrijven onder druk en houden de vraag naar arbeid laag. Er is ook weinig enthousiasme om een baan te aanvaarden, als een groot deel van je inkomen wordt afgeroomd. Vooral de lagergeschoolden zouden zo weinig geneigd zijn de stap naar de arbeidsmarkt te zetten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de beleidsmakers de voorbije jaren vooral focusten op lagere lasten op arbeid voor de laagste inkomens. De ballonnetjes die nu worden opgelaten, gaan in dezelfde richting. De lasten op arbeid voor de allerlaagste lonen zijn de voorbije jaren wel al sterk gedaald, onder andere via de werkbonus, een vermindering van de werknemersbijdragen die tot doel heeft de werknemers met een laag loon een hoger nettoloon te garanderen, zonder het brutoloon te verhogen. Maar in de personenbelasting is nog ruimte, door de verhoging van het belastingvrije minimum. Dat is het deel van het belastbare inkomen waarop geen belastingen verschuldigd zijn. Voor 2021 bedraagt die grens 8990 euro. De Hoge Raad van Financiën pleitte er vorig jaar in een rapport voor die belastingvrije som op te trekken naar het leefloon, of goed 11.000 euro. Dat maakt werken aantrekkelijker en het verhoogt de koopkracht. Voor een werkzoekende die weer aan de slag gaat, zou dat een verschil van 5 tot 7 procentpunt betekenen in vergelijking met nu. Al zit er wel een addertje onder het gras: de promotieval. Zodra het loon stijgt, verminderen allerlei bijdrageverminderingen, zoals de werkbonus, en op een bepaald moment vallen die zelfs weg. Elke euro extra brutoloon wordt dan tot 70 procent belast. Een verlaging van de lasten op arbeid gaat dus het best gepaard met een hervorming van systemen zoals de werkbonus. Ze afschaffen zou een te groot inkomensverlies voor de laagste lonen betekenen. De Hoge Raad pleit voor een vereenvoudiging van de systemen van bijdragenverminderingen en werkbonussen. Hij opent de deur naar een verlaging van de tarieven in de bestaande belastingschalen. Een andere mogelijkheid is van vier belastingschalen (25, 40, 45 en 50%) te gaan naar twee (25 en 45%). Elk scenario kost de staatskas miljarden euro's. Dus zijn er andere inkomsten nodig. Een van de weinige plaatsen waar in België nog extra belastinginkomsten te halen zijn, is de consumptie. Met een impliciete belastingdruk op consumptie van 20,7 procent is ons land een Europese middenmoter. Het werkelijke gemiddelde btw-tarief bedraagt in België 14 procent, een stuk minder dan het standaardtarief van 21 procent. Dat komt vooral door verlaagde tarieven en btw-vrijstellingen. In verschillende Europese landen is het standaardtarief voor de btw de afgelopen jaren verhoogd, terwijl het in België gelijk bleef. Daardoor valt het Belgische standaardtarief nagenoeg samen met het gemiddelde in de Europese Unie. Maar is een verhoging van de btw niet nadelig voor de laagste inkomens? En dreigt dat de lastenverlaging op arbeid niet te compenseren? Onder andere uit studiewerk van professor Freddy Heylen (UGent) blijkt dat het positieve effect van lagere lasten op arbeid voor de werkgelegenheid sterker is dan de negatieve impact van een hogere consumptiebelasting. De niet-actieve bevolking draagt die verhoging van de consumptiebelastingen mee, waardoor voor de actieve bevolking het rendement van werken toeneemt en het arbeidsaanbod stijgt. "Hier zit toch een van de grootste hefbomen voor een belastingverschuiving", meent ook Ivan Van de Cloot. "Als je de btw verhoogt en in eerste instantie de belastingvrije som optrekt, is er een positieve koopkrachtimpuls, ook voor de lagere inkomens. Consumptiebelastingen, en meer bepaald de btw, zijn overigens de meest efficiënte belasting. Ze is makkelijk te innen. Maar ze evolueert niet meer met de tijd. Een e-boek wordt met 21 procent zwaarder belast dan een fysiek boek. Er zitten vreemde kronkels in het stelsel. Wie eten afhaalt bij een restaurant betaalt 6 procent btw, wie het ter plaatse opeet 12 procent. Dat holt de legitimiteit van het systeem uit. We kunnen leren van het buitenland. Na de eurocrisis hebben Zuid-Europese landen de lasten op arbeid verlaagd en het verlies opgevangen met een hogere btw." Een vaak gehoord voorstel is de lagere lasten op arbeid te financieren met hoge of nieuwe kapitaalbelastingen. Maar in België zijn de belastingen op vermogen en vermogenswinsten al hoog. De impliciete belasting op vermogen bedraagt 32,6 procent. Daarmee zitten we in de Europese top vijf. Bovendien is de lijst van belastingen op roerend en onroerend vermogen lang. In België omvat de belasting op kapitaal onder meer de vennootschapsbelasting, de roerende voorheffing, de registratierechten, de erf- en schenkrechten, de belasting op langetermijnsparen, de inkomsten uit fiscale regularisaties, de onroerende voorheffing en de verkeersbelasting betaald door de ondernemingen. "De discussie kan beter gaan over een taxshift in de vermogensfiscaliteit", zegt Van de Cloot. We kunnen die vermogens(winst)taksen niet allemaal over dezelfde kam scheren. Sommige zijn heel schadelijk voor de economische groei, andere veel minder. In het rapport van de Hoge Raad van Financiën over het Belgische fiscale stelsel staat te lezen dat "eigendomsbelastingen, en dan voornamelijk periodieke belastingen op onroerende activa, het meest groeivriendelijk zijn. Een verschuiving naar periodieke belastingen op onroerende activa blijkt relatief gunstig te zijn voor economische groei. Het immobiele karakter van die belastingbasis maakt ze aantrekkelijk, des te meer naarmate andere belastingbasissen internationaal mobieler worden." Voorbeelden zijn een belasting op de reële huurinkomsten en een verhoging van de onroerende voorheffing. Het kadastraal inkomen, waarop de onroerende voorheffing wordt geheven, is sinds 1975 niet meer herzien en wordt slechts geïndexeerd. Maar die belastingen aanpassen ligt heel gevoelig bij de Belgen. Toch pleiten economen voor een taxshift in de vermogensfiscaliteit. Daarbij moeten de recurrente belastinkomsten op vastgoed (onroerende voorheffing en huurinkomsten) voorrang krijgen op de transactiebelastingen, zoals registratierechten. "Transactiebelastingen op eigendom zijn minder gunstig voor de economische groei, aangezien ze huizentransacties ontmoedigen. Zo verstoren ze de optimale allocatie van huiseigendom en hebben ze een negatieve impact op de arbeidsmobiliteit", stelt de Hoge Raad van Financiën. Nog een nadeel is dat een transactietaks bij elke uitwisseling de waarde van het goed vermindert. Het monster van Loch Ness van de vermogenstaksen in België is de meerwaardebelasting op aandelen. Die is in België zo goed als onbestaande. Met de regelmaat van een klok pleiten politici nochtans voor zo'n meerwaardebelasting, maar fiscalisten en economen waarschuwen: de opbrengsten zijn onvoorspelbaar en het is geen duurzame financieringsbron voor de overheid. En wie meerwaarden belast, moet ook de mogelijkheid creëren om minwaarden af te trekken. "Ik herinner mij een studie van het Planbureau die voorstelde de belastingen op arbeid te doen dalen en als compensatie de vennootschapsbelasting te verhogen", zegt Van de Cloot. "Dat gaat in tegen het onderzoek en de hiërarchie van de groeiverstorende belastingen. Daarin staat de vennootschapsbelasting bovenaan." Dat schrijft ook de Hoge Raad van Financiën: "Het meest nadelig voor economische groei zijn de belastingen op de vennootschapsinkomsten. Investeringen in kapitaal en innovatie worden immers ontmoedigd omwille van het lagere rendement na belastingen. Verder is de vennootschapsbelasting een belangrijke determinant voor het aantrekken van buitenlandse directe investeringen, en dus ook voor de absorptie van wereldwijd beschikbare technologie. Een te hoog tarief in vergelijking met andere landen kan resulteren in een lagere groei van de productiviteit met een negatieve impact op de economische groei tot gevolg." De vorige federale regering heeft de vennootschapsbelasting verlaagd. Met het nominale tarief van 33,99 euro had België tot 2018 een van de hoogste vennootschapsbelastingen ter wereld. Met het basistarief van 25 procent zitten we nu in de middenmoot. "We hebben hier stappen in de goede richting gedaan. Dat is dus geen prioriteit meer", oordeelt Ivan Van de Cloot. Net nu woedt wel het debat over een internationale minimumbelasting op bedrijfswinsten en taksen voor techgiganten als Amazon, Google en Facebook. Van de Cloot: "Je moet een onderscheid maken met de klassieke vennootschapsbelasting. In het debat rond de minimumbelasting spreken we over de ergernis die monopoliewinsten oproepen. Die zie je in sectoren waar bedrijven ineens veel geld verdienen zonder te investeren. Je kunt die gericht belasten. In theorie kan zo'n taks op bedrijfswinsten de economie niet te veel schade berokkenen. Al moet je je afvragen of je, in plaats van een belasting, niet beter kiest voor meer concurrentie in die sector." In België zijn de milieuheffingen goed voor 4 procent van de belastinginkomsten. Dat is minder dan het Europees gemiddelde (6%) of het Nederlandse cijfer (8%). Er lijkt dus ruimte te zijn voor een beperkte verschuiving van de belastingdruk naar milieuheffingen. Belastingen op milieuvervuilende activiteiten zullen die activiteiten afremmen of overheidsinkomsten genereren. Ze zijn dus minder schadelijk voor de economie dan bijvoorbeeld lasten op arbeid. Al is er ook een keerzijde: milieuheffingen kunnen ook onze concurrentiepositie verzwakken, vooral op korte termijn. Milieu- en energieheffingen maken in België geproduceerde goederen duurder. "Milieuheffingen met betrekking tot internationaal verhandelde goederen worden idealiter gecoördineerd op internationaal niveau. Op de lange termijn zorgen milieuheffingen voor een permanente stimulans om nieuwe productiemethoden te ontwikkelen, die de vervuiling terugdringen, en om nieuwe technologieën sneller te implementeren, wat het concurrentievermogen ten goede komt", stelt de Hoge Raad van Financiën in zijn belastingrapport. Op termijn zijn milieuheffingen niet geschikt voor een duurzame financiering van de overheid. Ivan Van de Cloot: "Ecotaksen die succes hebben, leiden op termijn tot 0 euro opbrengst. Je zult er enkel een draagvlak voor creëren als je de burger belooft dat elke euro die extra wordt geïnd, enkel en alleen gaat naar lagere lasten op arbeid."