Toen de federale regering het begrotingsakkoord afklopte, waren de werkgeversorganisaties relatief positief over de centenindex. Ze zagen die als een gedeeltelijke indexsprong. Maar nu de modaliteiten bekend zijn, is de teneur veranderd: ze vrezen dat de maatregel de concurrentiekracht van de bedrijven allesbehalve zal versterken, en als een boemerang zal terugkeren.
Loonkosten die minder snel stijgen dan gedacht: daar zijn de Belgische bedrijven altijd blij mee. Het maakt dat het concurrentienadeel ten opzichte van de buurlanden niet verder oploopt. Volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven kampen de Belgische bedrijven nog altijd met een loonkostenhandicap van 1 procent ten opzichte van onze drie buurlanden, ondanks de strenge loonnormwet.
De centenindex die de regering invoert, heeft als bedoeling dat Belgische concurrentienadeel op zijn minst niet te vergroten. Het komt neer op een gedeeltelijke of ingekorte indexsprong. Vanaf een bepaald bedrag stijgen de lonen niet met procenten maar in euro’s, vandaar het woord ‘centenindex’.
De ingreep zou dit jaar een eerste keer plaatsvinden en nogmaals in 2028. Concreet zullen enkel de brutolonen tot 4.000 euro geïndexeerd worden volgens het indexmechanisme van toepassing in de sector. Het deel boven 4.000 euro wordt niet geïndexeerd. Als de inflatie 2 procent bedraagt, krijgen werknemers met een loon boven 4.000 euro dus een vast bedrag, 80 euro bruto. Met deze nuance: bedraagt de geplande indexering meer dan 2 procent, dan zal er boven 4.000 euro wel een extra indexering worden toegekend.
Beluister of lees de uitleg van Geert Vermeir (SD Worx) over de werkelijke financiële en praktische gevolgen van de centenindex voor individuele werknemers.
Vestzak-broekzakoperatie
Toen de maatregel eind november 2025 werd bekendgemaakt, waren de werkgeversorganisaties VBO, Unizo en Voka gematigd positief. Ze hadden liever een zuivere en volledige indexsprong gezien, zoals ten tijde van de regering-Michel. Toch was de teneur ‘beter dit dan niets’. VBO-topman Pieter Timmermans gaf wel al een waarschuwing mee: “Over die maatregel zal nog heel wat opheldering nodig zijn.” Er moesten inderdaad nog wat details worden uitgeklaard. Net voor het kerstreces bereikte de federale regering een akkoord. Een aantal modaliteiten werd verduidelijkt en de bezorgdheid bij de werkgeversorganisatie nam toe. Men vreest dat van de concurrentieversterkende impact weinig in huis zal komen.
“Onlangs gaf ik mijn leden tijdens een intern overleg mee dat de centenindex op het eerste gezicht een goede maatregel is, maar dreigt te eindigen in extra kosten voor bedrijven. Ik krijg gelijk, zo blijkt”, zegt Pieter Timmermans. “Een maatregel die de concurrentiepositie moest versterken, zal uitdraaien op het tegenovergestelde. Als deze ingreep in de mechaniek van de wet op de loonnorm van 1996 niet geneutraliseerd wordt, dan krijg je als bedrijf vandaag een loonkostenvoordeel, maar verlies je dat volgend jaar weer. In 2017 heeft de regering-Michel het voordeel van de indexsprong uit de loonnorm gehaald. Anders is het een vestzak-broekzakoperatie.”
‘Als de centenindex in de mechaniek van de wet op de loonnorm van 1996 niet geneutraliseerd wordt, dan krijg je als bedrijf vandaag een loonkostenvoordeel, maar verlies je dat volgend jaar weer’
Dat zit zo: de centenindex kan ervoor zorgen dat onze lonen de komende jaren minder snel stijgen dan in de buurlanden Nederland, Frankrijk en Duitsland. Op basis van de loonnormwet kan daardoor een reële loonmarge boven op de indexering ontstaan. Die eis zullen de vakbonden zeker op tafel leggen. Zij zullen volgens de werkgevers zeggen: ‘De lonen zijn in het buitenland sneller gestegen dan in België en dus hebben wij recht op een inhaaloperatie.’
Wat dus een maatregel moet zijn om de concurrentiekracht te versterken, komt als een boemerang terug in het gezicht van de bedrijven. “Het hangt natuurlijk af van de evolutie van de lonen in de buurlanden. Toch kan het niet de bedoeling zijn dat een loonlastenverlaging via een indexering weer uitgehold wordt door een verhoging van de marge boven op de indexering”, waarschuwt Bart Buysse, gedelegeerd bestuurder van de kmo- en zelfstandigenorganisatie Unizo. “Bovendien wordt de loonmarge uitgesmeerd over alle werknemers. Lagere lonen profiteren dus ook, terwijl de hogere lonen aan de centenindex onderhevig zijn. Dat is een pervers effect. Unizo vraagt de impact van de centenindex te neutraliseren in de berekening van de loonmarge.”
Tijdelijk
Bovendien was het van in het begin duidelijk dat de werkgever niet volledig zou worden vrijgesteld van de lasten boven 4.000 euro. De helft van de extra loonkosten die normaal gezien bij een indexering moeten worden betaald, komt ten goede aan de bedrijven. Dat is goed nieuws voor de concurrentiekracht. De andere helft moet de werkgever doorstorten aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ). Dat is de zogenaamde loonmatigingsbijdrage.
De loonmatigingsbijdrage zou niet eenmalig aan de RSZ worden doorgestort, maar structureel. Dat was ook het geval bij indexsprongen in de jaren tachtig. De bijdrage liep door tot de regering-Michel ze in 2015 heeft verlaagd van 7,35 naar 5,12 procent. “Dat is problematisch”, waarschuwt Pieter Timmermans. “Het voordeel van de centenindex is tijdelijk, want die wordt twee keer doorgevoerd in 2026 en 2028. De loonmatigingsbijdrage is structureel. Wij willen dat die ook tijdelijk wordt.”
De werkgevers vrezen dat met dit systeem de werkgeversbijdragen voortdurend zullen verhogen. De patronale bijdragen op de minimumlonen bedragen 14 tot 15 procent en stijgen tot 25 procent voor iemand die pakweg een brutoloon van 4.000 euro heeft. Daar zou een loonmatigingsbijdrage van 1 procent bij komen, die tot aan het einde van de loopbaan van een werknemer moet worden betaald. Een volgende regering zou kunnen beslissen de loonmatigingsbijdrage verder te verhogen, bijvoorbeeld voor zeer hoge lonen boven 10.000 euro.
‘Het kan niet de bedoeling zijn dat een loonlastenverlaging via een indexering weer uitgehold wordt door een verhoging van de marge boven op de indexering’
Loonmatigingsbijdrage
“Ook Unizo vraagt daarom een eenmalige doorstorting van de loonmatigingsbijdrage wanneer een centenindex in werking treedt”, vult Bart Buysse aan. “Dat is afhankelijk van de timing van de indexering in het paritair comité. De loonmatigingsbijdrage wordt in ons voorstel dus twee keer betaald de komende jaren. Ze is dan ook enkel van toepassing op werknemers die effectief te maken krijgen met de centenindex.”
In de huidige situatie dreigen nieuwe bedrijven of bedrijven die extra personeel aanwerven de centenindex te mislopen, maar wel de bijdrage te moeten betalen.
Pieter Timmermans: “Zo kun je in 2028 iemand aanwerven die nooit het voordeel van de centenindex voor de bedrijven heeft opgeleverd, maar als werkgever betaal je niet alleen het loon van de nieuwkomer, je betaalt ook een loonmatigingsbijdrage.”
“Zo gebeurt het omgekeerde van wat men bedoelt: de loonkosten stijgen”, legt Buysse uit. “Voor personeel dat in dienst treedt na de toepassing van een centenindex, wordt verondersteld dat het effect van de centenindex geïntegreerd is in het brutoloon. Zonder de centenindex van het verleden zou het brutoloon namelijk hoger zijn geweest. De politiek redeneert dat werkgevers daarom ook voor die werknemers een loonmatigingsbijdrage verschuldigd zijn.”
Complexe berekeningen
Een extra reden van bezorgdheid: het moment waarop geïndexeerd wordt, verschilt van sector tot sector. Bij het bepalen van de centenindex vertrokken de regeringspartijen van het ambtenarenstelsel met een indexering van 2 procent zodra de spilindex wordt overschreden. Ze hielden geen rekening met de verschillende indexeringsformules en -momenten in de privésectoren. Blijkbaar werkte de regering met de input van het Planbureau, en niet met die van de sociale partners van de privésector noch met de analyses van de sociaal secretariaten. Daar komt bij dat al snel duidelijk werd dat over de wet op de centenindex niet tegen begin januari 2026 gestemd zou worden. Het gevolg: de indexering van 2,21 procent in het aanvullend paritair comité 200 voor bedienden wordt eind januari integraal toegekend. Daarbij ontsnapt al meteen een kwart van de private sector – 1,2 miljoen werknemers – aan de centenindex. Die zal daar pas in 2027 gelden.
En dan nog hangt het af van de hoogte van de indexering. Als die lager dan 2 procent is, dan krijgen de lonen boven 4.000 euro een volledige indexering. Voor ambtenaren en de werknemers in de privésector die deze evolutie in 2026 volgen, verandert dit jaar wellicht ook niets meer. De reden is dat de spilindex eind vorig jaar werd overschreden en men in maart – drie maanden later – een indexering van 2 procent krijgt. Als de spilindex dit jaar nog eens wordt overschreden, treedt de centenindex in werking, maar dat is verre van zeker. In sectoren met verschillende aanpassingen in de loop van het jaar zal men de centenindex wel voelen. Bij de banken gebeurt dat elke twee maand, in de chemiesector elke maand, in de bouw elk kwartaal en in de metaal- en schoonmaaksector net voor de zomer.
‘We vangen signalen op dat de toepassing van de centenindex voor de sociaal secretariaten zeer ingewikkeld is’
Dus: het beperkte concurrentievoordeel en de daaraan gekoppelde loonmatigingsbijdrage van de centenindex zullen de bedrijven op een ander moment merken, afhankelijk van de sector waarin men zich bevindt. Volgens Bart Buysse hoeft dat geen probleem te zijn. “Dat is verbonden met sectorale afspraken over de timing van de loonindexering. Ook bij indexsprongen in het verleden werd het effect steeds op andere momenten gevoeld, afhankelijk van de sector en het paritair comité. Wel vangen we signalen op dat de toepassing van de centenindex voor de sociaal secretariaten zeer ingewikkeld is”, weet Bart Buysse. “Zij moeten maandelijks meerdere loonberekeningen uitvoeren voor dezelfde werknemer om de loonmatigingsbijdrage in kaart te brengen, elk kwartaal twee DmfA-aangiftes indienen (de aangifte van de werkgevers bij de RSZ met de loon- en arbeidstijden van hun werknemers, nvdr) en hun informatica opnieuw programmeren. Die kosten zullen ze doorrekenen aan de werkgevers.”
Duurdere maaltijdcheques
De bezorgdheid bij de werkgevers over de centenindex komt boven op een regeringsmaatregel die nog niet goed verteerd is. Voor 2025-2026 legde de regering een loonnorm van 0 procent op, waarbij de reële lonen dus niet mogen stijgen boven op de inflatie. Maar tegelijk wordt de maximale waarde van de maaltijdcheques opgetrokken van 8 naar 10 euro per stuk. Unizo liet toen weten de beslissing te betreuren omdat “het ondernemingen op kosten zal jagen in economisch moeilijke omstandigheden. Deze beslissing zet druk op de onderhandelingen op sector- en ondernemingsniveau om extra loon toe te kennen.”
Pieter Timmermans hekelt bovendien de onduidelijkheid rond de maatregel, die enkel voor 2026 geldt: “Als een bedrijf de volledige kosten van de maatregel fiscaal wil aftrekken in de vennootschapsbelasting, dan moet de maximale stijging worden toegekend. Men vertrekt daarbij van het klassieke verhaal dat de waarde van een maaltijdcheque van 8 naar 10 wordt opgetrokken. Wat doe je met een bedrijf dat de waarde van de cheque verhoogt van 6 naar 8 euro? Mag dat bedrijf dat fiscaal aftrekken? Dat blijft onduidelijk. Nu, sectoren en bedrijven zijn niet verplicht de duurdere maaltijdcheques in te voeren.”
‘We kunnen loonvormingsproces minder rigide maken’
Tegen eind 2026 moet de Groep van Tien, het interprofessionele gremium met vakbonden en werkgevers, een advies uitwerken over de loonnorm en het automatische indexsysteem. De vraag is in welke mate het realistisch is dat daaruit een relevant en eensluidend advies voortkomt. Wanneer het over loonoverleg en arbeidskosten gaat, staan de sociale partners lijnrecht tegenover elkaar. In zijn net verschenen sociaaleconomische barometer van 2025 minimaliseert het ABVV de hoge Belgische loonkosten. De werkgevers blijven dan weer hameren op de Belgische loonkostenhandicap.
Toch is Pieter Timmermans (Verbond van Belgische Ondernemigen) relatief optimistisch: “Ik hoop en verwacht dat de sociale partners dit dossier ter harte nemen, omdat de loonvorming hun corebusiness is. Als werkgevers en vakbonden al niet meer kunnen praten, dan doen we beter de boeken dicht. De regering vraagt gewoon een dossier aan te pakken dat een uitgesproken onderdeel is van het sociaal overleg. We moeten ons nog eens over de loonnormwet buigen. Toen eerste minister Jean-Luc Dehaene en zijn vicepremier Elio Di Rupo die wet in 1996 op het strategisch comité kwamen uitleggen, was hun boodschap: ‘Je weet toch dat die wet maar drie tot vier jaar geldig zal zijn?’ We zijn ondertussen bijna dertig jaar verder. Tijdelijk duurt in België vaak eeuwig.”
De VBO-topman zegt niet welke voorstellen hij op tafel zal gooien. Ook al houdt hij de kaarten tegen de borst, aan werkgeverskant wordt stilaan de vraag gesteld of het afmeten van de Belgische loonkostenevolutie aan die van de drie buurlanden nog van deze tijd is. Tenslotte concurreren onze bedrijven ook met Scandinavische en Zuid-Europese landen. Timmermans geeft wel al mee dat hij “de kans ziet om het loonvormingsproces minder rigide te maken”. Dat komt door automatische drijvers zoals de indexering aan de onderkant, en aan de bovenkant van de lonen botst je al snel op maxima. Het probleem van België blijft dat bedrijven bij een externe schok direct op hun knieën zitten. Herinner u de hoge inflatie na de uitbraak van de oorlog in Oekraïne met als resultaat een automatische indexering van 10 procent. Andere landen kunnen daar even op de rem staan.
Geen nadeel voor bedrijven met veel freelancers
De centenindex geldt voor de lonen van ambtenaren en loontrekkenden in de privésector. Maar wat met de vergoeding voor freelancers-zelfstandigen, waarop bedrijven steeds meer een beroep doen? Volgens het Freelancer Focus Rapport 2025 van Unizo telt België ruim 234.000 freelancers, wat neerkomt op een stijging van 7 procent in een jaar en van meer dan 30 procent in vijf jaar.
Freelancers die werken met een zelfstandigenstatuut hebben weleens een indexering in hun contract laten opnemen, die bijvoorbeeld verwijst naar de indexering in het paritair comité 200. De wettelijke beperking van de centenindex is enkel van toepassing op arbeidscontracten en geldt dus niet voor hen. De vraag rijst of pakweg kmo’s die met veel freelancers werken, benadeeld zullen worden als die hun vergoeding toch volledig indexeren.
Bart Buysse relativeert: “De centenindex zal inderdaad enkel van toepassing zijn op werknemers en ambtenaren, niet op zelfstandige freelancers. Het is echter niet verstandig in een freelance-overeenkomst een indexering op te nemen die gekoppeld is aan de indexering in het paritair comité 200. Dat zou kunnen worden gebruikt in discussies rond schijnzelfstandigheid. Een koppeling aan een algemeen indexcijfer is in principe ook niet geldig. Indexeringsclausules in zelfstandige overeenkomsten, met uitzondering van vrije beroepen, moeten de principes volgen van een koninklijk besluit uit 1976. Dat stelt dat de indexering maar betrekking kan hebben op 80 procent van de prijs, en gekoppeld moet zijn aan de reële parameters die een invloed hebben op de prijs. Een freelancer met een indexering in het contract op basis van het mechanisme in het paritair comité 200, staat dus niet sterk.”