De Unie bestaat al

Daan Killemaes
Daan Killemaes Hoofdeconoom Trends

Zullen de Europese staten bij de komst van de Europese Muntunie veel invloed inboeten ? Neen, zo blijkt uit een Italiaans onderzoek. Vandaag al heeft Europa voor een groot stuk het economische stuur in handen van de toekomstige EMU-landen.

Als het van de professoren Mario Forni (universiteit Modena) en Lucrezia Reichlin ( ULB en ECARE) afhangt, zijn de Maastricht-criteria grotendeels overbodig. Die normen moeten ervoor zorgen dat de Europese economieën naar elkaar toegroeien in de aanloop naar de Europese Monetaire Unie ( EMU), die normaal in 1999 van start gaat. Forni en Reichlin bewijzen in hun studie ” National Policies and Local Economies : Europe and the US” dat de Europese economieën nu al even goed geïntegreerd zijn als de Amerikaanse economie, hét prototype van een Muntunie. Ze geven als voorbeeld de reactie van de verschillende Europese economieën op de gestegen dollarkoers (sinds begin 1995 werd de dollar zo’n 20 % duurder ten opzichte van de Europese munten). Over het hele continent stegen de bedrijfswinsten en verbeterde de concurrentiepositie.

Synchroon Europa

De nationale regeringen hoeven dus geen traan weg te pinken als ze binnenkort hun monetaire beleid moeten afstaan aan de Europese Centrale Bank. Vroeger kon een muntontwaarding nog wel eens van pas komen om een of andere economie uit het slop te halen. De Italiaanse onderzoekers tonen nu aan dat in het Europa van vandaag dergelijke devaluaties niet langer nodig zijn.

Om tot deze vaststelling te komen, onderzochten Forni en Reichlin in welke mate het inkomen van de Europese regio’s samen beweegt. Ze ontleedden daartoe de factoren die dat inkomen sturen in drie componenten.

De evolutie van het bruto binnenlands product in Europa hangt in de eerste plaats af van regionale schokken, zoals bijvoorbeeld een verhoging van de lokale belastingen of het sluiten van enkele toonaangevende fabrieken in de regio.

Een tweede schok kan zijn oorzaak vinden op nationaal vlak. Een renteverhoging van de centrale bank bijvoorbeeld of een devaluatie van de nationale munt.

Ten derde genereert ook het Europese niveau schokken. De stijging van de dollar tegenover het gemiddelde van de Europese munten is daarvan een mooi voorbeeld. Ook beslissingen van de Europese ministerraad of de Europese Commissie horen thuis in deze categorie.

Forni en Reichlin berekenden vervolgens in welke mate deze drie componenten de inkomensfluctuaties in Europa verklaren. De tabel ( Integratie in Europa) geeft een overzicht van de bekomen resultaten. “Daaruit blijkt dat de Europese component veruit de belangrijkste is en gemiddeld bijna 50 % van de groei in de Europese regio’s verklaart,” aldus Lucrezia Reichlin. “Deze component wint ook aan belang doorheen de tijd. In de periode 1980-1993 steeg de Europese invloed ondanks de inbreng van Griekenland en Portugal tot gemiddeld 48,1 %. Tussen 1973 en 1993 was dat nog gemiddeld 46,8 %. Alleen Griekenland en het Verenigd Koninkrijk vormen weinig verrassend een uitzondering op deze regel. De lokale component nam tussen 1973 en 1993 gemiddeld 28,9 % voor zijn rekening. In de tweede reeks cijfers vermindert dit belang wel ten koste van de nationale inbreng. Maar algemeen mag men stellen dat de nationale component gemiddeld slechts voor ongeveer een vierde de groei verklaart in België, Nederland, Frankrijk en Duitsland.”

Het verlies van het monetaire en wisselkoersbeleid en een deel van de fiscale bewegingsruimte zal volgens Reichlin geen ramp worden. “Een Europees beleid is veel effectiever dan een nationaal beleid,” vindt ze. “Een Europees beleid gekoppeld aan lokale correcties stuurde tussen 1973 en 1993 al 75,7 % van het inkomen in de Europese regio’s. Met deze cijfers leunt Europa heel dicht aan bij de VS. Alleen weegt daar de lokale component nog iets sterker door ten koste van de nationale. Het nationale beleid telt op Europees vlak dus net zoveel mee als de deelstaten dat doen op federaal niveau in de VS. Een beleid op lokaal vlak is minstens even belangrijk als een nationaal beleid.”

Dat de Europese component veel in de pap te brokken heeft om inkomensfluctuaties te verklaren wijst op een vergevorderde integratie. Maar op zich is dit onvoldoende om te besluiten dat de groei ook synchroon beweegt. Want als regio A positief reageert op diezelfde Europese schok en regio B duikt in een recessie, dan staat men nog nergens. Forni en Reichlin becijferden evenwel dat de regio’s in dezelfde zin reageren als er op Europees vlak iets beweegt. De enige uitzonderingen op deze regel zijn Sardinië en Groningen, waar in het laatste geval de gasvelden de economie een eigen leven laten leiden. Reichlin : “We kunnen met andere woorden besluiten dat inkomensfluctuaties in Europa in grote mate gesynchroniseerd zijn.”

Bestaat er zoiets als een kern

van regio’s waar de Europese component belangrijker is dan in de periferie ? De kaart ( Europa bekent kleur) geeft het antwoord. Hoe roder het gebied is ingekleurd, hoe belangrijker de Europese component en hoe meer de regio is geïntegreerd. Blauw wijst erop dat het Europese niveau maar weinig het inkomen in die gebieden stuurt. Een kerngebied, bestaande uit de sleutellanden Frankrijk, Duitsland en de Benelux bestaat niet. Alle landen daarentegen horen voor een deel wel, en voor een deel niet bij een kern. Die bestaat dan ook niet uit landen, maar uit een verzameling van regio’s, verspreid over de Europese Unie. Uitzonderingen zijn het Verenigd Koninkrijk en Griekenland, die er in het geheel duidelijk buiten vallen.

Ontbrekende schakels

Inzake integratie scoort Europa dus goed. Het doorstaat zelfs met glans de vergelijking met de VS. Het schoentje knelt echter op andere punten. In tegenstelling tot de VS is er in Europa bijvoorbeeld maar weinig arbeidsmobiliteit op Europees niveau. Van een budgettair solidariteitsmechanisme op Europees niveau is evenmin sprake. Dit zijn essentiële schakels om de Muntunie werkbaar te maken. Als het nationale beleid vervluchtigt in Europa verdwijnen immers een paar aanpassingsmechanismen die weliswaar een beperkte, maar toch nuttige rol konden vervullen. Neem nu een soepeler monetair beleid dat mits enkele begeleidende maatregelen toch de pijn bij een toenemende werkloosheid in een bepaald land kan verzachten. De becijferde invloed van 25 % is niet doorslaggevend, maar kan ook niet helemaal over het hoofd worden gezien. Zeker op lange termijn, als scheeftrekkingen geaccumuleerd worden.

Het knelpunt

is dat momenteel de nodige mechanismen ontbreken om die scheeftrekkingen te corrigeren. In de literatuur worden nochtans de ingrediënten aangereikt voor een werkbare Muntunie : grote mobiliteit van arbeid en kapitaal, vrij verkeer van goederen en diensten en een centraal georganiseerd monetair en budgettair beleid. Arbeidsmobiliteit en een budgettaire autoriteit op Europees niveau zijn op dit ogenblik echter nog holle begrippen. In de VS zijn deze mechanismen wel operationeel. Gaat een staat door een economisch dalletje, dan kan die rekenen op meer overdrachten van de overheid. Ook burgers pakken sneller hun koffers om werk in meer voorspoedige staten te zoeken. Een voldoende hoge loonflexibiliteit verschaft daartoe de nodige prikkels. In dergelijke flexibiliteit blinkt Europa echter niet uit omwille van stroeve marktstructuren (Zie kader : Vandaag is als gisteren). Ook taal- en cultuurverschillen vormen ernstige barrières.

Daardoor verwerkt Europa maar traag de veranderingen in het economsiche landschap. Een Europees beleid heeft pas effect op lange termijn. Die termijn houdt in dat de wetgeving en instellingen structureel moeten worden aangepast. Forni en Reichlin besluiten : “Een gemeenschappelijk Europees beleid om het inkomen te sturen is potentieel zinvol, op voorwaarde dat het gemeenschappelijk macrobeleid wordt aangevuld met diepgaande markthervormingen.”

DAAN KILLEMAES

LUCREZIA REICHLIN (ULB, ECARE) Inzake integratie doorstaat Europa nu al met glans de vergelijking met de VS.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content