Studies over de transfers tussen de Belgische regio's zijn zeldzaam, zeker aan Franstalige kant. Een uitzondering is het cijferwerk van Cerpe, een instituut verbonden aan de Universiteit van Namen, dat regelmatig studies maakt over de interregionale transfers en de budgettaire impact van de financieringswet. Cerpe heeft nu nieuwe berekeningen over de geldstromen tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Daaruit blijkt dat vanuit Vlaanderen jaarlijks 7,3 miljard euro naar Wallonië vloeit, en 513 miljoen euro naar Brussel.
...

Studies over de transfers tussen de Belgische regio's zijn zeldzaam, zeker aan Franstalige kant. Een uitzondering is het cijferwerk van Cerpe, een instituut verbonden aan de Universiteit van Namen, dat regelmatig studies maakt over de interregionale transfers en de budgettaire impact van de financieringswet. Cerpe heeft nu nieuwe berekeningen over de geldstromen tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Daaruit blijkt dat vanuit Vlaanderen jaarlijks 7,3 miljard euro naar Wallonië vloeit, en 513 miljoen euro naar Brussel. Het gaat om cijfers van 2012, dus voor de nieuwe financieringswet van de zesde staatshervorming in werking trad. Ze sluiten aan bij de berekeningen van het Leuvense onderzoeksinstituut Vives, dat uitkwam op meer dan 6 miljard euro. De transfers worden berekend op basis van het principe van juste-retour: er wordt gekeken naar wat de deelstaten meer of minder gekregen hebben dan wat ze hebben bijgedragen aan de ontvangsten. Cerpe maakt wel een onderscheid tussen de transfers naar woonplaats en die naar werkplaats. In het eerste geval ontvangt Brussel transfers, net als Wallonië. In het tweede geval vertrekt er nog altijd zo'n 7,5 miljard euro naar Wallonië, maar is de Vlaamse bijdrage een stuk kleiner: 4,95 miljard euro. De resterende 2,57 miljard euro komt van Brussel. Dat komt omdat in deze berekening de belastingen van de pendelaars aan de werkplaats worden toegekend. De Cerpe-vorsers gingen bovendien na hoe de deelstaten er financieel zouden voorstaan mochten er geen transfers zijn. Ze splitsten daarvoor het federale primaire saldo -- dat zijn de ontvangsten min de uitgaven exclusief rentelasten -- volgens het principe van juste-retour. De uitkomst van die oefening wordt bij de bestaande begrotingssaldo's van de deelstaten gevoegd. Op die manier kan het begrotingsoverschot of -tekort berekend worden zonder de impact van geldstromen. Het primaire saldo van entiteit 1 (de federale overheid en de sociale zekerheid) in 2012 bedroeg dan -1,120 miljard euro. Maar dat federale saldo verbergt grote regionale verschillen. Opgesplitst blijkt dat het Vlaamse primaire saldo 7,1 miljard euro positief is. Brussel heeft dan een primair tekort van 621 miljoen euro en Wallonië een tekort van 7,6 miljard euro. Koppelen we daar de al bestaande saldo's aan van Brussel, Vlaanderen en Wallonië, dan komt Cerpe uit op een Waals overheidstekort van 7,940 miljard euro, of bijna 9 procent van het bbp. Brussel boekt een licht tekort (-1,04 %), terwijl Vlaanderen een duidelijk positief saldo heeft van 3,45 procent (zie tabel Regionale begrotingen bij splitsing primair saldo). "Transfers uit Vlaanderen en het Waalse primaire tekort zijn twee zijden van dezelfde medaille", zegt de Leuvense econoom Geert Jennes, ook verbonden aan het Leuvense onderzoeksinstituut Vives, in een commentaar op de Cerpe-studie. In Vlaanderen worden meer belastingen en socialezekerheidsbijdragen betaald door de hogere tewerkstelling, terwijl in Wallonië de uitgaven hoger liggen. De Vlaamse bedrijven maken ook meer winst. De Vlaamse primaire overschotten vertrekken als transfer naar Wallonië. Het heel hoge en aanhoudende Waalse primaire tekort is dus slechts mogelijk door de transfers uit Vlaanderen én het maken van staatsschuld. Want de transfers uit Vlaanderen volstaan niet om het primaire Waalse tekort te dichten. De rest moet komen van leningen. Volgens Geert Jennes leidt die staatsschuld op zijn beurt tot bijkomende transferts. "De staatsschuld ontstaat dus buiten verhouding in Wallonië, maar de intrestlasten erop worden vooral door Vlaanderen betaald, omdat Vlaanderen het meeste belastingen betaalt aan de federale kas." Deze transfers uit de staatsschuld rekent Cerpe echter niet mee in de studie. De Cerpe-onderzoekers roepen Wallonië op om een groeibevorderend en zuiniger beleid te voeren om zo de transfers te doen dalen. Maar het Belgische fiscale federalisme maakt dat de regio's niet echt geresponsabiliseerd worden om een efficiënter beleid te voeren. Ook niet met de nieuwe staatshervorming. De fiscale autonomie neemt weliswaar toe, van 19 naar 32 procent van de totale ontvangsten. Maar dat is slechts een deel van het verhaal. De essentie van responsabilisering is dat een regio de juiste return krijgt op basis van de fiscale bijdrage die hij levert. Het gaat om fiscale autonomie maar ook om dotaties (nog altijd de inkomstenbron van de gemeenschappen) die gebaseerd zijn op de fiscale draagkracht of de belastingopbrengst in een regio. Welnu, de nieuwe bevoegdheden voor de gemeenschappen (kinderbijslag, bejaardenzorg) worden gefinancierd met dotaties op basis van behoeften en niet op basis van fiscale capaciteit. Volgens Vives neemt die responsabilisering zelfs af met de zesde staatshervorming: van 63 naar 55 procent van de totale ontvangsten van gemeenschappen en gewesten. Dat gebrek aan responsabilisering legt een hypotheek op welvaartscreatie, want ze zet regio's niet aan tot een efficiënt beleid. Bovendien zwakt het dotatiefederalisme de prikkels voor een zuinig begrotingsbeleid af. Alain MoutonHet gebrek aan responsabilisering legt een hypotheek op welvaartscreatie.