Internationaal scoren Europese universiteiten barslecht. In de internationale ranglijsten vinden we in de top 50 slechts negen Europese universiteiten terug, waaronder vijf Britse. Nummer één is Harvard, gevolgd door Cambridge. Dan volgen zeven Amerikaanse universiteiten en ten slotte Oxford. De Europese universiteiten spelen dus in de tweede klasse. Wel moeten we bij die rankings een aantal vraagtekens plaatsen. Is het aantal Nobelprijswinnaars een goed criterium? Geldt dat ook voor het aantal publicaties in een internationaal gerenommeerd tijdschrift?
...

Internationaal scoren Europese universiteiten barslecht. In de internationale ranglijsten vinden we in de top 50 slechts negen Europese universiteiten terug, waaronder vijf Britse. Nummer één is Harvard, gevolgd door Cambridge. Dan volgen zeven Amerikaanse universiteiten en ten slotte Oxford. De Europese universiteiten spelen dus in de tweede klasse. Wel moeten we bij die rankings een aantal vraagtekens plaatsen. Is het aantal Nobelprijswinnaars een goed criterium? Geldt dat ook voor het aantal publicaties in een internationaal gerenommeerd tijdschrift? We hebben de rankings echter niet nodig om te weten dat er iets schort aan ons hoger onderwijs. De vlucht van grijze cellen naar de VS blijft duren. Een recent rapport van het Britse Centre for European Reform, The Future of European Universities: Renaissance of Decay, legt de vinger op de wonde. De studie kijkt verder dan het welles-nietesspel van de rankings: de Europese universiteiten zijn niet langer centres of excellence, niet op het vlak van onderzoek en ook niet op het vlak van onderwijs. Dat gebrek aan goed opgeleide grijze cellen laat zich voelen. Het zwakke niveau van de Duitse universiteiten zou zelfs tot 0,8 % van het bbp kosten. Hoog tijd dus om het geweer van schouders te veranderen, zo stelt het rapport. Wat moet er veranderen? De onderzoekers Nick Butler en Richard Lambert geven een aantal aanbevelingen. Om te beginnen zijn de Europese universiteiten nog te vaak zuivere staatsinstellingen. In landen als Italië en Frankrijk hebben ze daardoor zeer weinig controle over de aanwending van hun middelen en is het moeilijk om eigen prioriteiten te stellen. Tweede (aansluitende probleem): de Europese universiteiten worden te veel met overheidsgeld gefinancierd. Die middelen zijn onvoldoende om onderzoek en onderwijs van hoog niveau te garanderen en de beste professoren aan te trekken. Ongeveer 1,2 % van het Europese bbp wordt in onderwijs geïnvesteerd. Dat moet 2 % worden. Ook in de VS investeert de overheid 1,2 % van het bbp, maar daar komt nog 1,4 % privégeld bij. Daarnaast moeten de collegegelden in Europa de hoogte in. Studenten zullen daardoor ook gemotiveerder zijn. Te laag geprijsde goederen en diensten worden verspild, is een algemene economische regel. Hogere collegegelden mogen echter geen drempel zijn voor minder gegoede studenten en daarom kunnen er leningen worden toegestaan. De afgestudeerden kunnen de leningen makkelijk terugbetalen als ze een lucratieve job hebben. Het systeem werd al in Australië getest. Selectie is een ander belangrijk criterium. In Europa is dat taboe, maar volgens Butler en Lambert moeten de instellingen hun talent kunnen uitkiezen in plaats van alle studenten te aanvaarden. De onderzoekers pleiten ook voor specialisatie: niet alle universiteiten kunnen alles aanbieden. Sommige kunnen zich specialiseren in bacheloropleidingen, andere in masteropleidingen, nog andere in onderzoek. Ook hier staan de Amerikaanse universiteiten sterker. Europa telt 2000 universiteiten. De meeste daarvan doen aan onderzoek en investeren in postgraduaten. Minder dan 250 Amerikaanse kennen zulke degrees toe. Minder dan 100 zijn erkende onderzoeksinstituten. De middelen voor onderzoek zijn in de VS veel meer geconcentreerd. En dat komt de kwaliteit ten goede. De concentratie van grijze cellen is een van de argumenten die voorstanders van één Vlaamse universiteit hanteren. Voor wie de Universiteit Vlaanderen een stap te ver vindt, zou het beperken van het aantal opleidingen per universiteit een stap in de goede richting zijn. Minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A) wil alvast dat instellingen meer dan vroeger moeten kiezen voor opleidingen waarin ze echt goed zijn. Dat betekent dat ze wellicht een aantal opleidingen moeten schrappen. In elk geval zet de minister met zijn nieuw financieringsmodel stappen in de richting van de Britse voorstellen in verband met meer selectie. Vandenbroucke wil bij de financiering niet enkel uitgaan van het aantal inschrijvingen, maar van het aantal afgestudeerden. Studenten worden ook ontmoedigd om aan academisch toerisme te doen door de invoering van een systeem van leerkrediet met studiepunten. Wie er bij herhaling niets van bakt, kan al zijn studiepunten verliezen. De tijd dat een student vijf keer kan proberen om ergens het eerste jaar met succes af te sluiten, lijkt voorbij. Alain Mouton