Door het constante gekibbel in de regering-Michel kreeg de maatregel amper aandacht: er wordt 127 miljoen euro vrijgemaakt voor de verhoging van de laagste inkomens. Dat bedrag was sowieso al voorzien in het regeerakkoord als sociale correctie op de geplande indexsprong. Maar die indexsprong zal door de lage inflatie wellicht niet in 2015 plaatsvinden. Toch wordt het geld dit jaar al aangewend. De extra middelen moeten vermijden dat de werkloosheidsval groter wordt. De werkloosheidsval houdt in dat werken voor sommige mensen niet interessant is omdat hun nettoloon nauwelijks hoger zou liggen dan hun werkloosheidsuitkering.
...

Door het constante gekibbel in de regering-Michel kreeg de maatregel amper aandacht: er wordt 127 miljoen euro vrijgemaakt voor de verhoging van de laagste inkomens. Dat bedrag was sowieso al voorzien in het regeerakkoord als sociale correctie op de geplande indexsprong. Maar die indexsprong zal door de lage inflatie wellicht niet in 2015 plaatsvinden. Toch wordt het geld dit jaar al aangewend. De extra middelen moeten vermijden dat de werkloosheidsval groter wordt. De werkloosheidsval houdt in dat werken voor sommige mensen niet interessant is omdat hun nettoloon nauwelijks hoger zou liggen dan hun werkloosheidsuitkering. Sommige regeringspartijen waren ongerust omdat vakbonden en werkgevers in het sociaal akkoord onder meer hadden afgesproken dat een aantal uitkeringen, waaronder de werkloosheidsuitkering, zou stijgen. En hogere werkloosheidsuitkeringen toekennen terwijl de lonen niet stijgen zou het financieel minder aantrekkelijk maken voor een baan te kiezen, zo was vooral bij N-VA te horen. Vandaar die maatregel van 127 miljoen euro om de laagste lonen te versterken. Bart Buysse, directeur bij het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) en als een van de leden van de Groep van Tien aanwezig bij de sociale onderhandelingen, relativeert die ongerustheid. "Ook voor de werkloosheidsuitkeringen geldt de geplande indexsprong van 2 procent. Bovendien stijgen de uitkeringen in die tak van de sociale zekerheid minder dan in de andere takken. Er is ook op toegezien dat geen afbreuk wordt gedaan aan het systeem van degressiviteit van de uitkeringen die de vorige regering heeft ingevoerd. "Het was niet ons idee de welvaartsenveloppe voor 2015-2016 voor de volle 100 procent toe te kennen (het gaat om 1 miljard euro over twee jaar, nvdr). We hebben de deelenveloppe voor de werkloosheid bewust maar voor 60 procent benut. Ruim 40 procent ervan gaat naar uitkeringstakken, zoals pensioenen en armoedebestrijding. Bovendien ligt het inkomen uit werken sinds januari netto iets hoger dankzij de verhoging van de forfaitaire beroepskosten. Dat inkomen kan nog toenemen aangezien het sociaal akkoord voorziet in de mogelijkheid dat de lonen licht stijgen." Het sociaal akkoord maakt de kloof tussen werkloosheidsuitkering en loon dus niet kleiner. Wat niet belet dat er in België nog altijd sprake is van een werkloosheidsval die een goede werking van de arbeidsmarkt verstoort. In de eerste drie kwartalen van 2014 was in België 67 procent van de 20- tot 64-jarigen aan het werk. Bij de oudere werknemers (55-64 jaar) kwam die werkzaamheidsgraad uit op 42,3 procent. Met die cijfers blijft ons land ruim onder de doelstellingen die het tegen 2020 wil bereiken. Dan zou 73,2 procent van de hele bevolking en 50 procent van de oudere werknemers aan de slag moeten zijn. Dat te weinig Belgen werken is zowel een probleem van vraag als van aanbod. De beperkte vraag naar arbeid krijgt steevast het meest aandacht: er worden geen werknemers aangeworven omdat de Belgische loonkosten te hoog zijn. Maar er is ook een probleem aan de aanbodkant. Dat leert het onlangs verschenen jaarverslag van de Nationale Bank en het OESO-rapport over België. Een laaggeschoolde werkzoekende die overstapt naar een job ziet zijn netto-inkomen met slechts 15 procent stijgen. Dat is ruim onder de 35 procent in de eurozone (zie grafiek Financiële stimulans om een laagbetaalde baan te aanvaarden). Alleen in Slovenië en in Luxemburg is het verschil tussen wel en niet werken nog kleiner. Het gaat wel om gemiddelden. Hoeveel het inkomen netto toeneemt verschilt naargelang van de gezinssituatie. Een alleenstaande werkloze die een laagbetaalde job (67 % van het gemiddelde loon of omgerekend 2100 euro bruto per maand) aanvaardt, houdt van het extra bruto-inkomen slechts 9 procent over. Anders gezegd: de belastingdruk op de loonstijging is meer dan 90 procent. In onze buurlanden is die nettowinst veel hoger: tot bijna 30 procent in Duitsland. Voor gezinnen is de nettowinst dan weer hoger. Toch is de werkloosheidsval door de bank genomen in België groter dan in de buurlanden. Dat geldt trouwens ook voor een werkloze die een iets lucratievere job aanvaardt. Een alleenstaande die net werkloos is geworden en een jobaanbieding krijgt tegen 150 procent van het minimumloon (omgerekend ongeveer 2300 euro bruto) ziet zijn beschikbaar inkomen met amper 9 procent toenemen. Voor een samenwonende is dat 10 procent. Arbeidsmarktexperts hanteren als vuistregel dat het beschikbaar inkomen met 15 procent moet toenemen om de overgang van werkloosheid naar een job aantrekkelijk te maken. Overigens is niet enkel de geringe stijging van het inkomen bij het aanvaarden van een job een probleem. Daarnaast moet het verschil tussen nettoloon en sociale uitkeringen groot genoeg zijn om de lasten te compenseren die met een baan gepaard gaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om kosten voor vervoer, kleding en kinderopvang, maar ook om het verlies aan financiële voordelen die eigen zijn aan het statuut van uitkeringstrekker (kinderbijslag, goedkope toegang tot sommige overheidsdiensten). Nochtans zijn de voorbije jaren tal van maatregelen genomen om werken aantrekkelijker te maken. De belangrijkste is wellicht de sterkere degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen. Sinds 1 november 2012 worden de werkloosheidsuitkeringen anders berekend en dalen ze sneller. De uitkering wordt tijdens de eerste drie maanden van de werkloosheid wel berekend op basis van een hoger berekeningspercentage. Ze bedraagt 65 procent van het laatste loon, in plaats van 60 procent daarvoor. Voor wie net zijn baan verloren heeft, sluit de uitkering dus dichter aan bij het laatste loon. Maar na een jaar begint de uitkering sneller te dalen. Na maximaal vier jaar (48 maanden) werkloosheid krijgt een werkloze nog slechts een minimale uitkering, die niet veel hoger is dan het leefloon. Een en ander betekent dat wie net werkloos geworden is, weinig motivatie krijgt om een nieuwe job te aanvaarden. Zoals gezegd, stijgt zijn beschikbare inkomen dan maar met 9 of 10 procent. Maar hoe langer men werkloos is, hoe interessanter werken wordt. Bij een alleenstaande die zijn uitkering al aanzienlijk heeft zien dalen, stijgt het inkomen met 65 procent wanneer hij opnieuw gaat werken. Bij een alleenstaande met een leefloon is dat 92 procent en bij een samenwonende liefst 188 procent. Het probleem van de werkloosheidsval speelt dus vooral in de beginfase van de werkloosheid. Nochtans zijn in de voorbije jaren maatregelen genomen om de personenbelasting en de werknemersbijdragen te verlagen, opdat de werknemer meer netto-inkomen zou overhouden. Vooral voor de lage lonen heeft dat geleid tot meer koopkracht. Een alleenstaande met 50 procent van het gemiddelde loon zag bijvoorbeeld zijn of haar koopkracht met 12,9 procent toenemen tussen 1996 en 2012. Het belangrijkste instrument daarbij is de werkbonus. Die heeft tot doel werknemers met een laag loon (het brutoloon moet onder een bepaald plafond blijven) een hoger nettoloon te waarborgen, zonder dat het brutoloon stijgt. Dat gebeurt via een forfaitaire vermindering van de persoonlijke sociale bijdrage aan de RSZ. De werkbonus bedraagt momenteel maximaal 184 euro per maand. Arbeidsmarktexperts zien de werkbonus als een goed instrument om werk lonender te maken. Maar de vraag is of het systeem zijn doel niet voorbijgeschoten is. Want in plaats van een voordeel te zijn voor lage lonen is het almaar meer een korting geworden voor de middenlonen. Iemand kan pas niet meer van de werkbonus genieten als zijn brutoloon hoger is dan 2385 euro per maand. Volgens cijfers van de RSZ genoot 35,8 procent van de werknemers in 2013 van de werkbonus. Dat de werkloosheidsval nog altijd niet volledig gedicht is, heeft eigenlijk te maken met een vaak vergeten fiscaal probleem: de veel te sterke progressiviteit in de Belgische personenbelasting. Een Belgische werknemer komt zeer snel in een hoge belastingschaal terecht, waardoor extra inkomsten van ook lage lonen relatief zwaar belast worden. Zo betaalt een Belg met een jaarlijks belastbaar inkomen van 25.000 euro al 45 procent belasting op elke euro extra belaste inkomsten, terwijl het marginale belastingtarief in Nederland op dat niveau amper 10,85 procent bedraagt (zie grafiek Belgische belastingtarieven stijgen te snel). Een studie van de Hoge Raad van Financiën leert dat het minimumsalaris zich al in de 40 procentschijf van marginaal belastingtarief situeert, terwijl het gemiddelde loon (3133 euro bruto per maand) zich in de schijf van 50 procent bevindt. De Hoge Raad van Financiën ging in een studie na wat de gevolgen zouden zijn van een hervorming van die personenbelasting op de werkloosheidsval. Een eerste simulatie is een verhoging van het belastingvrije minimum van 6800 euro naar 9800 euro, het leefloon voor alleenstaande personen. Dat verkleint de werkloosheidsval verder, ook voor wie zich aan het begin van de periode van werkloosheid bevindt. Een alleenstaande die net zijn job kwijt is, ziet zijn inkomen niet met 9 procent maar met meer dan 13 procent stijgen wanneer hij voor een nieuwe baan kiest. Voor een samenwonende neemt de inkomensstijging toe van 10 tot 15 procent. Indrukwekkend is dat niet, maar zoals gezegd gaan economen ervan uit dat een inkomensstijging met 15 procent voldoende is om de werkloosheidsval te sluiten. Een andere simulatie waarbij het marginaal belastingtarief van 40 op 30 procent wordt gebracht, heeft een vergelijkbaar resultaat. Iets om straks mee te nemen in het debat over de taxshift? In de Wetstraat is in elk geval te horen dat lagere lasten op arbeid een combinatie zullen zijn van verminderde sociale lasten voor de werkgevers en een hervorming van de personenbelasting die de werknemers ten goede komt, en dus werken aantrekkelijker maakt. ALAIN MOUTONDat de werkloosheidsval nog altijd niet volledig gedicht is, heeft eigenlijk te maken met een vaak vergeten fiscaal probleem: de veel te sterke progressiviteit in de Belgische personenbelasting. "Ook voor de werkloosheidsuit-keringen geldt de geplande indexsprong van 2 procent" Bart Buysse