Een goed huisvader heeft in zijn beleggingsportefeuille een aanzienlijk gedeelte voorzien voor obligaties. In principe vangen vastrentende effecten voor een stuk het grillige verloop van aandelen op. Met obligaties zit u dan ook safe, horen we wel vaker. Maar is dat wel zo? Niet echt. Zonder enige voorbereiding beginnen aan het invullen van een obligatieportefeuille is niet zonder risico. Ook binnen die portefeuille moet u voldoende diversifiëren in munten en looptijden.
...

Een goed huisvader heeft in zijn beleggingsportefeuille een aanzienlijk gedeelte voorzien voor obligaties. In principe vangen vastrentende effecten voor een stuk het grillige verloop van aandelen op. Met obligaties zit u dan ook safe, horen we wel vaker. Maar is dat wel zo? Niet echt. Zonder enige voorbereiding beginnen aan het invullen van een obligatieportefeuille is niet zonder risico. Ook binnen die portefeuille moet u voldoende diversifiëren in munten en looptijden. Als we praten over obligaties, moeten we eerst even stilstaan bij de rentevoet. De rente stelt tegenwoordig niet veel meer voor, en de renteversoepelingen die de centrale banken doorvoeren, blijven maar aanhouden. Deze beslissingen worden genomen op basis van de huidige economische toestand, en die ziet er nog steeds beroerd uit. Onze economie wordt namelijk nog altijd gehypothekeerd door twijfelende consumenten met een beperkte consumptiedrang. Bovendien zijn veel bedrijven aan het saneren geslagen en weten veel landen geen blijf meer met hun hoge schulden. Dat zijn voor de centrale banken wereldwijd voldoende argumenten om hun kortetermijnrente verder te verlagen. Dan kunnen de bedrijven goedkoper investeren en zo de economie weer aanzwengelen. In Europa bedraagt de rente op drie maanden op dit moment nog slechts 2 %. Aan de overkant van de grote plas is het nog een stuk erger gesteld. Daar zorgde een dertiende opeenvolgende renteverlaging voor het absolute dieptepunt in de afgelopen 45 jaar: 1 % op een termijn van drie maanden. En dan zwijgen we nog over Japan, waar de interesten al jaren extreem laag zijn. Hebben we het ergste nu achter de rug? Helaas: de meeste analisten verwachten nog meer renteverlagingen. Kortlopende beleggingen zoals spaarboekjes en kasbons met korte looptijden zijn momenteel dan ook taboe. Wat zijn de alternatieven? We nemen u even mee terug naar het einde van de jaren negentig en begin 2000. Het was de tijd van het Tina-syndroom. Tina stond voor there is no alternative, waarmee toen bedoeld werd dat er geen volwaardige beleggingsalternatieven voor aandelen waren. Ook in die periode waren de renteniveaus laag en was er weinig hoop op verbetering. Beleggers trokken daarom massaal naar de beurs, met spectaculaire aandelenprestaties tot gevolg. Intussen hebben we opnieuw te maken met die goeie ouwe Tina. Maar vandaag betekent het Tina-syndroom dat er geen alternatieven voor obligaties zijn. Het beurstrauma heeft ervoor gezorgd dat de aandelenzeepbel van toen is ingeruild voor een heuse obligatiehype. Maar hoe is het momenteel met de obligatierente (de langetermijnrente) zelf gesteld? Een obligatie in euro met een looptijd van vijf jaar biedt u tegenwoordig een vaste vergoeding - de coupon - van 3 tot 3,10 % bruto. Na afhouding van 15 % roerende voorheffing houdt u netto 2,55 à 2,64 % over. Net zoals bij aandelen geldt ook in obligatieland dat u vergoed wordt in functie van het risico dat u bereid bent te lopen. Zo krijgt u doorgaans een hogere coupon wanneer u kiest voor een lange looptijd. De rente voor een obligatie op tien jaar is dus hoger dan die voor een obligatie op twee jaar, maar in ruil voor die hogere vergoeding zit uw geld wel langer vast. Als u onverwachts liquide middelen nodig hebt, zit u met een probleem. Voor welke looptijd kiest u momenteel het best? Die vraag kunnen we alleen beantwoorden als we een beeld hebben van de toekomstige obligatierente. Bij dalende obligatierentes profiteert u met een langere looptijd immers des te meer van de hogere vergoeding. In het meest extreme geval hebt u zelfs na tien jaar of meer een hogere coupon dan de marktrente op dat moment. De kans is echter reëel dat de obligatierentes vrij snel - in bescheiden mate - de hoogte in gaan. Heel wat analisten menen namelijk dat de westerse economieën binnenkort opnieuw zullen aantrekken als gevolg van stimuleringsmaatregelen zoals lagere belastingen en goedkopere kredieten. In dat geval doet u er goed aan om nu obligaties te kiezen met korte looptijden, bijvoorbeeld twee jaar. Uw geïnvesteerde kapitaal komt sneller vrij en u kunt dan intekenen op nieuwe obligaties met een hogere rente. Toch houdt u best een stok achter de deur in geval van een doemscenario. Stel dat we - hoewel dit vrij onwaarschijnlijk is - in een Japanse crisis belanden, dan bent u uiteraard beter af met langere looptijden. Daarom bestaat de ideale obligatieportefeuille op dit moment uit een combinatie van looptijden tussen twee en vijf jaar. Behalve een geschikte looptijd moet u als belegger in obligaties ook een goede munt kiezen. Elke munt heeft zijn eigen risicoprofiel. Het muntrisico van de euro is bijvoorbeeld nihil, maar de vergoeding is dan ook aan de lage kant. Als u een obligatie kiest in een meer risicovolle munt, ligt de coupon doorgaans hoger. Met een risicovolle munt bedoelen we een munt met een grillige koers ten opzichte van de euro, zoals de Zuid-Afrikaanse rand. Bij zo'n risicomunt bestaat de kans dat die op de vervaldag van uw obligatie minder waard is dan bij het begin. Als u het beginkapitaal aan het einde van de rit dan opnieuw inwisselt tegen euro's, maakt u verlies. U doet er daarom goed aan om uw obligatieportefeuille te spreiden over verschillende munten. Ruwweg kunnen we de huidige obligatiemarkt onderverdelen in een viertal grote muntblokken. Allereerst zijn er de obligaties in euro, die een groot gedeelte van de markt vertegenwoordigen. Daarnaast is er het eveneens aanzienlijke dollarblok, waaronder we zowel Amerikaanse, Canadese, Australische als Nieuw-Zeelandse dollars rekenen. Een derde blok is dat van de Scandinavische munten (Zweedse, Noorse en Deense kronen) en een vierde blok bestaat uit munten van de zogenaamde groeimarkten. Naast deze vier muntblokken zijn er nog twee munten die in de obligatiemarkt doorgaans als aparte categorieën beschouwd worden: het Britse pond en de Zwitserse frank. Om te weten welke munten u moet opnemen in uw obligatieportefeuille, maakt u best op voorhand uit welk risicoprofiel bij u past. Met dit profiel bepaalt u de samenstelling van uw portefeuille. 1. Defensief profielStreeft u veiligheid na, dan blijft u best in de eurozone, met looptijden tussen twee en vijf jaar. Zoals gezegd biedt een obligatie in euro met een looptijd van vijf jaar 3 à 3,1 % bruto (2,55 à 2,64 % netto). Iets hogere rendementen geeft de Deense kroon: 3,20 % bruto (2,72 % netto) voor een looptijd van vijf jaar. Het muntrisico van deze munt is eerder beperkt: er is vastgelegd dat de Deense kroon hoogstens 2,25 % mag afwijken van de euro. Komt de kroon toch buiten die bandbreedte van 2,25 %, dan grijpt de Deense centrale bank in. Als u - bijvoorbeeld van een afgelopen obligatie - nog wat Amerikaanse dollars over hebt, besteed hier dan hoogstens 10 % van uw obligatieportefeuille aan. Een dollarobligatie biedt u momenteel namelijk slechts 2,35 % bruto (2 % netto) op vijf jaar. Met de Amerikaanse dollar loopt u wel een muntrisico, maar de meeste analisten gaan ervan uit dat het dieptepunt van de dollar (eind mei) nu wel achter ons ligt. Het risico is dus enigszins beperkt. Een goede verdeling van een defensieve obligatieportefeuille op dit moment is: 2. Neutraal profielAls u voor uzelf hebt uitgemaakt dat u bereid bent wat risico te nemen in ruil voor een hogere vergoeding, hebt u uiteraard meer mogelijkheden. In een neutrale obligatieportefeuille is er naast de euro, de Deense kroon en de Amerikaanse dollar ook ruimte voor de Noorse kroon. Deze munt geeft een gemiddelde coupon van 3,85 % bruto (3,27 % netto) op vijf jaar. Sinds begin dit jaar verloor deze munt zo'n 12,5 % in waarde ten opzichte van de euro. De stijgende olieprijzen als gevolg van de Irak-crisis kwamen het land wel ten goede, maar de sterk dalende dollar - de handelsmunt bij uitstek in de olie-industrie - zette een domper op de feestvreugde. De Noorse kroon heeft het ergste nu wel achter de rug. Ook het Britse pond en de Zweedse kroon verdienen een plaatsje in een neutrale obligatieportefeuille. Ze bieden u een mooi extra rendement van respectievelijk 3,90 % bruto (3,32 % netto) en 3,55 % bruto (3,02 % netto) in ruil voor een eerder beperkt muntrisico. Het Britse pond is sinds eind mei uit het dal geklommen en de Zweedse kroon kende dit jaar een rustig verloop. De beste samenstelling voor uw neutrale portefeuille ziet er op dit moment dus als volgt uit: 2. Agressief profielBent u meer speculatief ingesteld, dan kunt u uw obligatieportefeuille verder aanvullen met een aantal hoogrentende munten. We denken hierbij in de eerste plaats aan de Australische dollar en Nieuw-Zeelandse dollar, die bruto respectievelijk 4,70 % (4 % netto) en zelfs 5,05 % (4,29 % netto) opleveren voor een looptijd van vijf jaar. Wilt u nog hogere rendementen maar ook een groter muntrisico, dan moet u naar de groeilanden. In het huidige onzekere klimaat zijn de meeste financiële analisten echter van mening dat dit nu onverantwoord is. Een obligatieportefeuille moet immers een buffer vormen voor het risico van uw aandelenportefeuille. Alleen de Zuid-Afrikaanse rand komt in aanmerking. De talrijke problemen waarmee het land te kampen heeft (werkloosheid, criminaliteit, corruptie, aids enzovoort) drukken wel op de munt, maar een vergoeding van 10 % bruto (8,50 % netto) op vijf jaar maakt veel goed - uiteraard alleen voor een beperkt bedrag. Een goede verdeling van uw agressieve obligatieportefeuille op dit moment is: Net als bij aandelen komt het er voor u als obligatiebelegger op neer om het risicoprofiel te kiezen waar u zich het beste bij voelt. Maar ongeacht dit profiel legt u best steeds de nadruk op obligaties in euro. Zelfs als speculatieve belegger doet u er goed aan om 60 % van uw portefeuille te besteden aan onze Europese munt. De rest vult u aan met al dan niet risicovolle munten. U kiest hierbij momenteel best middellange looptijden: tussen twee en vijf jaar. Naast looptijd en munt moet u ook rekening houden met de uitgever van de obligatie. In het verleden zijn er wel eens problemen geweest met debiteuren die moeite hadden om op de vervaldag van de obligatie het beginkapitaal terug te betalen aan de beleggers. Dat risico kunt u echter opvangen door kwaliteitsobligaties te kopen, zoals staatsleningen. De ideale obligatieportefeuille bestaat uit een combinatie van looptijden tussen twee en vijf jaar.U doet er goed aan om uw obligatieportefeuille te spreiden over verschillende munten.