Een concept waar we dringend vanaf moeten, is dat van 'de KMO'; KMO's bestaan immers niet als één zinvolle categorie.
...

Een concept waar we dringend vanaf moeten, is dat van 'de KMO'; KMO's bestaan immers niet als één zinvolle categorie. Met die stelling doel ik niet eens in eerste instantie op de grote verschillen tussen bedrijven in verschillende sectoren, want dat ligt nogal voor de hand. Natuurlijk: een horecaonderneming of een kleine aannemerij functioneert in een totaal andere omgeving dan een klein metaal- of kunststofverwerkend bedrijf in de industriële toelevering, laat staan een agrarisch bedrijf in de akkerbouw of een varkenshouderij. We hebben het dan nog niet gehad over innovatieve start-ups in de informatie- of communicatietechnologie of de biotechnologie, of over architecten-, designbureaus en andere zakelijke dienstverleners. In de detailhandel is het verschil tussen een zelfstandige winkel en een franchise van een grote keten ook niet gering. Even goed dat tussen kappers, doe-het-zelfzaken, hypotheekbemiddelaars, boekhandelaars of biologische kruideniers. Maar al die bedrijven worden in zekere mate nog met vergelijkbare problemen geconfronteerd: financiering, sociale zekerheid, de overheidspapierwinkel, opvolgingsvraagstukken...Als ik bedoel dat de KMO niet bestaat, heb ik het ook niet in de eerste plaats over het verschillend profiel van elke onderneming: je hebt traditionele familiebedrijfjes ( mom & pop shops) die niet veel meer willen dan gewoon op een nette manier de kost te verdienen; je hebt ambitieuze afsplitsingen van grote bedrijven, die soms ook gewoon onder controle blijven van die bedrijven; een ander profiel vormen de doorstarters: al wat oudere bedrijven, bijvoorbeeld in de sector van het kleinmetaal, die met behulp van een nieuw management (mogelijk na een overname) weer een nieuw groeitraject inslaan. De sjacheraars. Als aparte categorie kunnen we ook de sjacheraars noemen in het grijze tot zwarte deel van de economie: bijvoorbeeld bepaalde kleine aannemers en koppelbazen in de bouw, of handelaars in verboden waar (drugs) of in de smokkel (onder meer van illegalen), of mensen die een cent proberen te verdienen met het factureren van niet geleverde diensten (kijk maar op Nederland 1 naar het KRO-consumentenprogramma ' Ook dat nog'). Mensen vinden het soms niet leuk dat ik die laatste categorie noem, maar ze vereist wel dezelfde vormen van ondernemerschap en organisatietalent zoals die verder vooral in het kleinbedrijf zijn vereist. Overigens zijn het niet alleen kleine bedrijven die een cent proberen bij te verdienen op basis van de goedgelovigheid van hun klandizie. Ik heb het niet precies bijgehouden, maar ik heb de voorbije jaren wel een paar duizend euro 'verdiend' door, mede naar aanleiding van een verhuizing en een verbouwing, kritisch te kijken naar alle facturen die bij me binnenkwamen. En de 'fouten' - waarvan ik al lang niet meer geloof dat ze toevallig zijn, sorry hoor - vonden inderdaad niet alleen plaats bij kleine jongens als aannemers en loodgieters, maar ook bij grote als KPN en ING. Geregeld opduikende schandalen, zoals nu weer rond Enron, geven natuurlijk ook te denken. Maar goed, terug naar onze KMO's en de diversiteit daarbinnen. Weer een heel aparte categorie vormen de innovatieve start-ups die ondersteund worden door risicokapitaalfondsen en die zo snel mogelijk naar de beurs moeten worden gebracht. Een vergelijkbaar profiel bezitten de initiatieven van seriële ondernemers, die telkens weer bedrijven opstarten en groot maken en dan doorverkopen aan ondernemingen die meer verstand hebben van het managen van de volgende groeifase van een onderneming. Met die laatste categorie komen we uit bij de belangrijkste reden waarom 'de KMO' een bedenkelijke en niet ongevaarlijke mystificatie is. Er is immers een hemelsbreed verschil tussen een klein en een middelgroot bedrijf. Het eerste, afhankelijk van de sector met maximaal dertig tot vijftig werknemers, kan nog voor een groot stuk door een individuele ondernemer informeel worden aangestuurd. Voor het tweede, het middenbedrijf, heb je professioneel management nodig, ondersteund door een minimum aan formele systemen en structuren. Een middelgroot bedrijf lijkt dan ook veel meer op een groot dan op een klein bedrijf. De meest kritische overgang in het groeitraject van een onderneming is dan ook die van klein naar middelgroot bedrijf.Om nog even terug te gaan naar het grijze en zwarte circuit: wellicht zijn grote criminele bendes wel de enige organisaties die - noodgedwongen - erin slagen grootschaligheid te combineren met de informaliteit van de kleine onderneming. En dat duidt op een meer dan gemiddeld organisatietalent! De Nederlandse criminoloog Frank Bovenkerk wijst er al jaren op dat het profiel van de succesvolle topcrimineel niet erg afwijkt van dat van de betere topmanager. Maar evengoed geeft hij aan dat het bendemodel van de Godfather met zijn eenhoofdig leiderschap en hiërarchische commandostructuur weinig voorkomt. "De onderwereld wordt veeleer gevormd door een netwerk van patroons, baasjes en helpers, ieder met zijn eigen kennis en kunde, die in groepen van wisselende samenstelling samenwerken en zich snel aan gewijzigde omstandigheden aanpassen door zich anders te groeperen" ( NRC Handelsblad, 21-3-1998). Zoiets ruikt zowel naar Al-Qaeda als naar modern ondernemerschap in de netwerkeconomie, niet? Eén hoop. Zowel wit als grijs en zwart ondernemerschap tonen dus aan hoe moeilijk de overgang van een kleine naar een middelgrote en grote organisatie is, terwijl die verraderlijke categorie KMO suggereert dat het om één soort ondernemingen gaat die je zomaar op één hoop kunt gooien. U moet er maar eens op letten: in bijna alle gevallen doelt men op een kleine onderneming als men het heeft over een KMO. En terecht, want een MO en GO (grote onderneming) sluiten in hun praktijken veel meer op elkaar aan dan KO en een MO. Daarom kunnen we dat beter expliciet maken en ophouden te praten over KMO's. Dany Jacobs [{ssquf}]De auteur is hoogleraar Strategisch Management aan de Rijksuniveriteit Groningen en Associate Dean van TSM Business School, de business school van de universiteiten van Groningen en TwenteEen middelgrote onderneming lijkt veel meer op een groot dan op een klein bedrijf.