In de aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2009 moet voor de eerste keer toepassing worden gemaakt van het nieuwe fiscale stelsel dat sinds begin vorig jaar op auteursrechten van toepassing is.
...

In de aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2009 moet voor de eerste keer toepassing worden gemaakt van het nieuwe fiscale stelsel dat sinds begin vorig jaar op auteursrechten van toepassing is. In dit nieuwe stelsel worden inkomsten uit de cessie of concessie van 'auteursrechten' en 'naburige rechten' wettelijk vermoed het karakter van roerende inkomsten te hebben. Althans voor zover zij niet meer bedragen dan (indexaangepast) 49.680 euro per jaar. Voor het gedeelte dat deze grens overschrijdt, speelt het wettelijke vermoeden niet. Om te beoordelen hoe dit hogere gedeelte belast zal worden, moet men de werkelijke aard van de inkomsten nagaan, en moet men bijgevolg nakijken of het om roerende, dan wel om beroepsinkomsten gaat. Zolang het om roerende inkomsten gaat - wat dus tot aan de grens van 49.680 euro onweerlegbaar vermoed wordt het geval te zijn - worden de inkomsten afzonderlijk belast tegen 15 procent personenbelasting. Dit aantrekkelijke tarief wordt nog aantrekkelijker als men weet dat ten aanzien van auteursrechten een bijzonder voordelig kostenforfait van toepassing is. Het bedraagt 50 procent op de eerste schijf van (indexaangepast) 13.250 euro en 25 procent op de daaropvolgende schijf van nog eens (indexaangepast) 13.250 euro. Het gevolg is dat de belastingdruk op de eerste schijf van 13.250 euro netto slechts 7,5 procent bedraagt (15 % op de helft van het inkomen). De bedoeling is dat de belasting in het nieuwe stelsel betaald wordt via inhouding aan de bron van 15 procent roerende voorheffing. Deze inhouding moet in beginsel (in de meeste gevallen) bevrijdend werken. Dit betekent dat auteursrechten die op de voorgeschreven manier de roerende voorheffing hebben ondergaan, niet meer op het aangifteformulier in de personenbelasting moeten worden vermeld: de ingehouden voorheffing vormt de eindbelasting. Althans zolang zij het karakter van roerende inkomsten hebben (en dus niet voor het gedeelte dat in voorkomend geval de voormelde grens van 49.680 euro overschrijdt, en dat bijvoorbeeld geacht moet worden een beroepsmatig karakter te hebben). Het inkomstenjaar 2008 vormt in alle opzichten een overgangsjaar. De nieuwe fiscale regeling werd pas midden vorig jaar ingevoerd. Weliswaar werd zij vanaf begin vorig jaar van toepassing verklaard. Maar van de verplichte inhouding van roerende voorheffing is in veel gevallen niets of niet veel in huis gekomen. Ten eerste was de sector er niet of onvoldoende op voorbereid. Ten tweede kon men moeilijk verwachten dat nog roerende voorheffing ingehouden werd op sommen die al eerder, in de loop van het eerste semester van 2008, uitgekeerd werden. Dit alles heeft ertoe geleid, dat de inhouding van roerende voorheffing feitelijk uitgesteld is naar begin dit jaar. Maar dit feitelijke uitstel geldt enkel voor de roerende voorheffing. De verlaging van de personenbelasting naar 15 procent en de toepassing van het voormelde kostenforfait, zijn in ieder geval van toepassing op de auteursrechten die vorig jaar genoten werden. In die gevallen waarin op die inkomsten geen roerende voorheffing werd ingehouden (wat waarschijnlijk meestal het geval zal zijn), is er uiteraard geen sprake van een bevrijdende inhouding van roerende voorheffing. De inkomsten moeten bijgevolg op het aangifteformulier in de personenbelasting worden vermeld, met het oog op de taxatie ervan tegen het nieuwe tarief dat op auteursrechten van toepassing is. De schuldenaars van auteursrechten zijn in principe verplicht de inkomsten uit auteursrechten te rapporteren op een bijzondere individuele fiche (281.45). Heel waarschijnlijk is dat in de praktijk in veel gevallen niet gebeurd. Men mag immers aannemen dat velen nog niet op de hoogte zijn van deze verplichting. Bovendien mag men aannemen dat veel ondernemingen, minstens wat vorig jaar betreft, nog niet in staat zijn om in de pool van de vergoedingen die zij hebben uitgekeerd een onderscheid te maken, al naargelang het wel of niet om auteursrechten gaat. Bijgevolg is het zo goed als zeker dat veel auteursrechten hun weg niet gevonden hebben naar de nieuwe individuele fiches 281.45, maar nog gerapporteerd zijn op de klassieke fiches 281.50 voor beroepsmatige commissies, erelonen, enzovoort. Dit mag de genieters niet beletten zelf het initiatief te nemen, en - daar waar het in werkelijkheid om inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten gaat - deze inkomsten als auteursrechten op het aangifteformulier in de personenbelasting te vermelden. Weliswaar riskeren zij de nodige discussies met de fiscus (omdat de inkomsten als beroepsmatig gerapporteerd zijn op fiches 281.50). Maar allicht zullen zij dat er wel voor overhebben: als beloning wacht hen het lage tarief van 15 procent, inclusief het attractieve kostenforfait. (T) DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.Jan Van Dyck