Toen in België na de Eerste Wereldoorlog het debat over de nood aan kinderbijslagen losbarstte, kreeg de discussie zeer snel een communautair tintje. De Walen vonden dat de kinderbijslag vooral het kroostrijke Vlaanderen ten goede kwam. Een transfer avant la lettre. De Vlaams-Waalse verhoudingen werden ook toen al gekenmerkt door uiteenlopende visies op sociaaleconomische kwesties. De historicus Olivier Boehme analyseert die spanningen in zijn jongste boek Greep naar de Markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum.
...

Toen in België na de Eerste Wereldoorlog het debat over de nood aan kinderbijslagen losbarstte, kreeg de discussie zeer snel een communautair tintje. De Walen vonden dat de kinderbijslag vooral het kroostrijke Vlaanderen ten goede kwam. Een transfer avant la lettre. De Vlaams-Waalse verhoudingen werden ook toen al gekenmerkt door uiteenlopende visies op sociaaleconomische kwesties. De historicus Olivier Boehme analyseert die spanningen in zijn jongste boek Greep naar de Markt. De sociaal-economische agenda van de Vlaamse Beweging en haar ideologische versplintering tijdens het interbellum. In het voorwoord staat terecht dat het boek een mijlpaal is in de geschiedschrijving van de Vlaamse Beweging van de jaren 1918-1940. Uit de turf (bijna 1000 pagina's) blijkt dat de Vlaamse strijd meer was dan louter een taalstrijd. In de periode na de Eerste Wereldoorlog groeide de ergernis bij de flaminganten over de achterstelling van de regio op het vlak van investeringen. Ook het pleidooi voor een eentalig Vlaanderen had een economisch doel. De Nederlandstaligen zouden zich in een gunstigere positie dan de Franstaligen (die vaak slechts een taal kenden) op de arbeidsmarkt kunnen aanbieden. Volgens Lodewijk De Raet, een pionier op het vlak van het Vlaams sociaaleconomisch denken, zou de erkenning van het Nederlands als volwaardige taal de Vlamingen toelaten om een hoogwaardige kenniseconomie op te bouwen "die toeliet de Belgische structuur van laaggeprijsde massaproductie met lage lonen te doorbreken". De Vlaamse Beweging nam het vooral op voor de middenklasse, kleine zelfstandigen en arbeiders. De haute finance was kop van jut. Zeker omdat die weinig oog had voor de economische verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië. Zo was de invoering van de achturenwerkdag gesneden op maat van de Waalse economie en minder bruikbaar in Vlaanderen met zijn (weliswaar afkalvende) huisnijverheid en zijn sterk rurale karakter. In Vlaanderen groeide de kritiek op die 'Franse plutocratie' en het kapitalisme. Met de opkomst van de Nieuwe Ordebewegingen in de jaren '30 evolueerden meer en meer flaminganten in de richting van een corporatistisch economisch denken. Voor de radicale Vlaams-nationalisten stond de welvaart van het Vlaamse volk trouwens niet boven het culturele welzijn. De eigen 'aard' was nog belangrijker. Een zuiver Vlaanderen (arm, ruraal, katholiek) kreeg de voorkeur boven een geïndustrialiseerd, ontkerkelijkt en daarom misschien nog meer verfranst Vlaanderen. De haat tegen België was voor veel flaminganten zelfs belangrijker geworden dan het economisch welzijn. Na de Eerste Wereldoorlog werden de waterverdragen met Nederland, die ten goede zouden komen aan Antwerpen, onder andere door de Vlaams-nationalisten gekelderd omdat de bloeiende Belgische havens toch maar voorposten van Frankrijk zouden zijn. Economie was voor veel flaminganten louter een instrument. Daarentegen gebruikten ze het nationalisme ook als economisch middel. Zo probeerde het VEV in 1936 tijdens de Nationale Arbeidsconferentie aparte sociale voorwaarden te bedingen voor Vlaanderen omdat de situatie niet vergelijkbaar was met Wallonië. "Hier was het concept Vlaanderen een alibi voor een patronale agenda", schrijft Boehme. (T) OLIVIER BOEHME, GREEP NAAR DE MARKT. DE SOCIAAL-ECONOMISCHE AGENDA VAN DE VLAAMSE BEWEGING EN HAAR IDEOLOGISCHE VERSPLINTERING TIJDENS HET INTERBELLUM, LANNOOCAMPUS, 2008, 986 BLZ, 34,95 EURO Alain Mouton