Het beleid voor Werk, Vorming en Onderwijs was ontegensprekelijk positief de voorbije jaren. In Vandenbrouckes duidelijke visie op de arbeidsmarkt staat activering centraal. De VDAB contacteert alle werklozen op geregelde tijdstippen en biedt hun hulp aan via sollicitatietraining, het opsturen van vacatures en het geven van opleidingen. Vlaanderen loopt op die manier voorop in het activeringsbeleid. Niet alleen jongeren, maar ook 30- en 40-plussers worden begeleid.
...

Het beleid voor Werk, Vorming en Onderwijs was ontegensprekelijk positief de voorbije jaren. In Vandenbrouckes duidelijke visie op de arbeidsmarkt staat activering centraal. De VDAB contacteert alle werklozen op geregelde tijdstippen en biedt hun hulp aan via sollicitatietraining, het opsturen van vacatures en het geven van opleidingen. Vlaanderen loopt op die manier voorop in het activeringsbeleid. Niet alleen jongeren, maar ook 30- en 40-plussers worden begeleid. Minder positief is dat de begeleiding van de 50-plussers beter kan. Er was de gemiste kans bij de afsluiting van het Generatiepact. De minister had van de gelegenheid gebruik moeten maken om de VDAB ook bruggepensioneerden te laten activeren. Maar de sp.a had bij het Generatiepact zo veel schade opgelopen dat Vandenbroucke het wellicht niet zinvol vond om nog een rondje te vechten met de vakbondsachterban. Dat hij de privésector betrekt bij de begeleiding van werklozen, is een goede zaak. Net zoals zijn duidelijke keuze om het arbeidsmarktbeleid in eigen Vlaamse handen te krijgen. Daarvoor is het echter wachten op de volgende staatshervorming. Het meerbanenplan dat de regering in 2006 lanceerde en jaarlijks zo'n 80 miljoen kost, is een succes. Vandenbroucke viel aan het einde van de regeerperiode wel wat uit zijn rol. De gesubsidieerde arbeidsduurvermindering roept vragen op en als het aan de socialist gelegen had, was Opel al overgenomen. De crisis maakt de minister van Werk zenuwachtig. In zijn verzet tegen het interprofessioneel akkoord (IPA) met de afbouw van doelgerichte lastenverlagingen voor 50-plussers kon hij zich profileren, maar niet iedereen overtuigen. Het is een voordeel dat Onderwijs en Werk bij dezelfde minister liggen. Vandenbroucke heeft altijd werk gemaakt van de koppeling van beide. Hij heeft zich achter het ideeëngoed 'accent op talent' geschaard en de uitbouw van hoger beroepsonderwijs is een goede maatregel. Elke minister van Onderwijs krijgt kritiek als hij besparingen moet doorvoeren. Daarom heeft ook Vandenbroucke kritiek gekregen van de onderwijsnetten. Hij heeft wel voor het eerst de lat gelijk gelegd waarbij het vrij gesubsidieerd onderwijs evenveel middelen krijgt als het gemeenschaps-onderwijs. Scholen worden niet langer betaald volgens het net waartoe ze behoren, maar wel volgens het soort leerlingen. Een school krijgt voortaan meer middelen als ze meer leerlingen telt die thuis geen Nederlands praten, met ouders die een laag inkomen hebben of in kansarme buurten wonen. Dit alles past in het gelijkekansenbeleid van de minister. Op dat vlak overtuigt hij slechts gedeeltelijk omdat het tot nivellering leidt. Onder andere de outputfinanciering voor het hoger onderwijs past in dat plaatje. Hogescholen en universiteiten worden deels gefinancierd op basis van het aantal diploma's dat ze afleveren. Critici vrezen een nivellering omdat hogescholen en universiteiten sneller diploma's zullen toekennen om meer geld binnen te halen. Vandenbroucke wil dit tegengaan via een doorzichtig accreditatiesysteem. Maar daarmee overtuigt hij niet.