Het Britse voorzitterschap van de Europese Unie loopt op zijn laatste benen. Volgende maand geeft het Verenigd Koninkrijk de fakkel door aan Oostenrijk. Binnen de Europese instellingen zal dan een zucht van verlichting worden geslaakt. Het voorzitterschap onder leiding van Tony Blair was immers een van de zwakste van de voorbije jaren.
...

Het Britse voorzitterschap van de Europese Unie loopt op zijn laatste benen. Volgende maand geeft het Verenigd Koninkrijk de fakkel door aan Oostenrijk. Binnen de Europese instellingen zal dan een zucht van verlichting worden geslaakt. Het voorzitterschap onder leiding van Tony Blair was immers een van de zwakste van de voorbije jaren. De verwachtingen in juli waren nochtans hooggespannen. Na het debacle van de referenda in Frankrijk en Nederland zou de Britse premier aan de Europese Unie een nieuwe impuls geven. Blair zou de aanzet geven tot een modernisering van de socialezekerheidssystemen in tal van lidstaten en zou ook een oplossing uitdokteren voor de Europese meerjarenbegroting 2007-2013. Daar kwam weinig of niets van terecht. Verwijzend naar het intussen beruchte Sapir-rapport uit 2003 stelde Blair dat het niet langer verantwoord is om 80 % van de Europese begroting aan landbouw en structuurfondsen te besteden. Een juiste analyse. De manier waarop de Europese middelen vandaag worden verdeeld, zijn een anachronisme. Zoals het Sapir-rapport voorstelt, moet er bijvoorbeeld veel meer worden geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling. Even zag het ernaar uit dat Tony Blair in dat dossier zijn nek zou uitsteken. Probleem was echter dat de Britse premier weigerde het debat aan te gaan over de inkomstenzijde van het Europese budget. En daar is al evenzeer sprake van een anachronisme. Sinds 1984 genieten de Britten immers van een korting op hun bijdrage aan de Europese pot. Deze korting is intussen opgelopen tot 4 miljard euro per jaar. Een gigantisch bedrag. Komt er nog bij dat die korting tegen 2013 zou oplopen tot 7 miljard euro als het systeem niet wordt aangepast. Geld dat de Britten niet echt nodig hebben, want in tegenstelling tot twintig jaar geleden is het Verenigd Koninkrijk een rijke lidstaat geworden. Als we het bruto binnenlands product (BBP) per capita bekijken, waren de Britten in 1984 de derde armste lidstaat. Intussen hebben ze landen als Duitsland en Zweden ingehaald. Blair blijft met twee maten en twee gewichten werken, zoals ook blijkt uit zijn recente voorstel voor de nieuwe meerjarenbegroting 2007-2013. Die zou beperkt moeten blijven tot 1,03 % van het BBP, wat betekent dat de nieuwe lidstaten op 10 % minder economische steun zullen kunnen rekenen. Maar tegelijk wil Blair de Britse bijdragevermindering slechts in beperkte mate laten bijsturen. Met zo'n houding heeft de Labour-premier Groot-Brittannië stilaan opnieuw geïsoleerd binnen de Unie. En heeft hij vooral de bruggen met de nieuwe lidstaten (Polen, de Baltische staten...) opgeblazen. Een spijtige zaak, want die landen stonden nu net op de Britse lijn in een aantal zaken die van cruciaal belang zijn voor het behoud van het Europese concurrentievermogen. Denk maar aan de noodzaak van een verdere liberalisering van de arbeidsmarkt en het vrije verkeer van werknemers, of aan een strengere houding ten opzichte van lidstaten die een aantal sectoren willen beschermen tegen buitenlandse overnames. De Britten en de nieuwe lidstaten hadden hier een voortrekkersrol kunnen spelen. Het isolationisme van Blair heeft dat onmogelijk gemaakt. Alain Mouton