Al bijna drie jaar verras of erger ik de Trends-lezer met mijn veertiendaagse columns. Op lezingen zie ik soms toehoorders die mijn columns mooi gebundeld hebben. Het leest als een vervolgverhaal, stellen ze. Anderen vinden mijn insteek niet regionalistisch genoeg.
...

Al bijna drie jaar verras of erger ik de Trends-lezer met mijn veertiendaagse columns. Op lezingen zie ik soms toehoorders die mijn columns mooi gebundeld hebben. Het leest als een vervolgverhaal, stellen ze. Anderen vinden mijn insteek niet regionalistisch genoeg. Die reacties tonen aan dat het geschreven woord nog steeds een machtig wapen is. In de geciviliseerde maatschappij waar boekverbranding uit den boze is, wordt gereageerd via allerlei fora. Iedere krant of magazine heeft fora. En gespecialiseerde websites, zoals bijvoorbeeld medium4you, trekken maandelijks 60.000 burgers aan. Elke burger is een potentiële schrijver. Van oneliners tot scheldtirades, het kan allemaal. Veelal verbergt een pseudoniemen de identiteit van de schrijver. Hoewel ik de fora toejuich, heb ik het wat moeilijker met het anonieme karakter van de schrijvers. En nu heb ik er, in overleg met de redactie, voor geopteerd om tijdens de sperperiode voor de verkiezingen mijn pen neer te leggen. Er is geen wet die mij zou verhinderen om columns te blijven publiceren. Maar: de kracht van de pen, zeker in het enige economische weekblad die naam waardig, is zo sterk, dat volgens mij de sperperiode ook hierop van toepassing is. De sperperiode? Het begrip duikt op in twee totaal verschillende contexten. Het duidt de periode aan net voor de koopjes. Winkeliers mogen nog niet verkopen met korting, en consumenten wachten om te kopen tot de korting er is. Die sperperiode is reglementair vastgelegd en controleurs van het ministerie van Economie zien toe op de naleving. De sperperiode is dus een kalme periode voor de verkoop, maar een drukke voor de inspectiedienst. Althans, dat veronderstel ik. Toen ik in een van mijn vorige levens kabinetschef was op federaal niveau, was er tijdens het eindejaar een probleem met een vuurwerkdepot. In mijn naïviteit nam ik contact met de dienst van Economische Zaken die verantwoordelijk is voor de controle op vuurwapens. Verrast hoorde ik het antwoordapparaat: "De inspectiedienst van economische zaken, afdeling vuurwerk, is met verlof van 22 december tot 3 januari." Ik kon mijn oren niet geloven. Met alle eindejaarsvuurwerk zou het voor hen de drukste periode van het jaar moeten zijn, maar neen, de ambtenaren namen collectief vakantie. Misschien hadden zij privé een paar klusjes? Trouwens, de economische materie is grotendeels geregionaliseerd en we hebben ook geen federale minister van Economie meer, maar weet u hoeveel ambtenaren nog werken op het federaal ministerie van Economie? Wel, vierduizend! Misschien moeten we zowel de sperperiode als het ministerie afschaffen. De tweede context waarin de term wordt gebruikt, is de sperperiode voor de verkiezingen. Politici moeten dan hun uitgaven beperken. Wie dan communiceert, moet dit doen binnen een vooraf vastgelegd budget. Grootschalige campagnes waarbij grote partijen (CD&V, PS) die over een jaarlijks partijbudget van bijna tien miljoen euro beschikken, zouden immers oneerlijke concurrentie kunnen inhouden tegenover kleinere partijen die niet over zulke gigantische budgetten beschikken. Vanuit dat oogpunt is de sperperiode een goede zaak. Tijdens de verkiezingssperperiode gebeurt er heel weinig politieke besluitvorming. Administraties draaien op 'halve' kracht. De vijfduizend kabinetsleden die beleidsvoorbereidend werk doen ook, zou je denken. Dat is niet zo. Voor kabinetten, zowel federale als regionale, is dit de drukste periode. Brieven gaan met duizenden de deur uit. Kabinetsleden kleven postzegels vanuit de kabinetsvoorraad, plakken affiches en organiseren verkiezingsactiviteiten. Die kabinetsuitgaven worden natuurlijk niet opgenomen in het budget van toegelaten commu-nicatie-uitgaven. De praktijk vervalst de concurrentie tussen partijen die aan de macht zijn, en dus over uitgebreide kabinetten beschikken, en partijen die in de oppositie zitten. Controle op de uitgaven van de kabinetten kan pas met voorafgaande toelating van de verantwoordelijke minister... Als ik zou blijven schreeuwen in de marge, zou het grote gelijk mij misschien nog kunnen inhalen en zelfs frustreren. Daarom heb ik zelf de stap gedaan naar de politieke wereld. Gelijk hebben, is immers niet hetzelfde als gelijk krijgen. Ik wil daarbij mijn principes behouden terwijl ik riskeer mijn illusies te verliezen. En omdat ik daar toch enigszins wil in slagen, en hoewel columns schrijven niets kost, integendeel, houd ik daar uit fair play mee op tot aan de verkiezingen. Tot spijt, respectievelijk jolijt, van wie het benijdt. (T) DE AUTEUR IS PROFESSOR ECONOMIE AAN EHSAL, HOGESCHOOL GENT EN UNIVERSITEIT VAN NANCY. Rudy Aernoudt