Een Vlaamse student in het hoger onderwijs kost de belastingbetaler zo'n 12.000 euro per jaar. 75 % van dat bedrag bestaat uit subsidies aan de onderwijsinstellingen, de rest zijn kinderbijslagen, belastingvoordelen en studietoelagen. Uit een onderzoek dat het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB) in februari 2006 publiceerde (*), blijkt dat de studietoelagen, kinderbijslagen en belastingverminderingen de studiekosten dekken. Al bevinden er zich addertjes onder het gras. Zo zijn de studietoelagen niet voldoende om de studiekosten in enge zin te dekken. Daarvoor kunnen kinderbijslagen en belastingverlagingen worden aangewend, maar die zijn "eerder bedoeld om de gewone leefkosten te dekken."
...

Een Vlaamse student in het hoger onderwijs kost de belastingbetaler zo'n 12.000 euro per jaar. 75 % van dat bedrag bestaat uit subsidies aan de onderwijsinstellingen, de rest zijn kinderbijslagen, belastingvoordelen en studietoelagen. Uit een onderzoek dat het Centrum voor Sociaal Beleid (CSB) in februari 2006 publiceerde (*), blijkt dat de studietoelagen, kinderbijslagen en belastingverminderingen de studiekosten dekken. Al bevinden er zich addertjes onder het gras. Zo zijn de studietoelagen niet voldoende om de studiekosten in enge zin te dekken. Daarvoor kunnen kinderbijslagen en belastingverlagingen worden aangewend, maar die zijn "eerder bedoeld om de gewone leefkosten te dekken."Nog een conclusie uit het onderzoek: de minimuminkomensgrenzen voor de toekenning van studietoelagen zijn zo laag, dat ze onder de meeste gangbare armoedegrenzen liggen. Kortom, gezinnen die in de buurt van de armoedegrens leven, lopen het risico om geen beroep te kunnen doen op een volledige studietoelage. En dus zijn hogere studies voor kinderen uit een bepaald sociaal milieu niet echt aantrekkelijk. En een van de factoren om de komende jaren voldoende groei te genereren, is nu net het creëren van meer geschoolde jobs en het verhogen van de productiviteit. Dat kan onder andere via een efficiënter onderwijssysteem dat de toegangsdrempels niet te hoog plaatst. Bovendien blijkt uit een recent verslag van de VDAB dat schoolverlaters met enkel een diploma middelbaar onderwijs het zeer moeilijk hebben om een job te vinden. Veel van die schoolverlaters vinden hun weg niet op de arbeidsmarkt, maar beschikken wellicht wel over de capaciteiten om een professionele bachelor te behalen en zo te helpen bij het wegwerken van knelpuntberoepen. In hun rapport maken de CSB-onderzoekers een diepgaande analyse van de huidige toestand van de studiefinanciering in Vlaanderen. Die noemen specialisten een combinatie van universaliteit (iedereen met kinderen krijgt kinderbijslagen) en selectiviteit (studietoelagen hangen af van het inkomen). De financiering is gezinsgericht (uitkeringen zijn afhankelijk van de rang van de student in het gezin) en in zeer beperkte mate prestatiegericht (alleen de studietoelagen zijn afhankelijk van het succes van de student). Op basis van die factoren ontvangt een student per jaar 2857 euro kinderbijslag, belastingvermindering en studietoelagen. Gemiddeld moet hij of zij 390 euro inschrijvingsgeld betalen. Maar het gaat hier dus om gemiddelden. De verdeling van de onderwijsvoorzieningen loopt niet gelijk over de hele bevolking. Slechts 26 % van de kinderen wiens ouders ten hoogste lager secundair onderwijs hebben afgewerkt, volgen hoger onderwijs. Indien het gezinshoofd wel hoger onderwijs achter de rug heeft, blijkt dat 53 % van de kinderen tussen 18 en 25 jaar eveneens een hogere opleiding volgt. Uit het CSB-onderzoek blijkt er ook een verschil tussen de aanwezigheid van jongeren in het hoger onderwijs op basis van het inkomen van de ouders. Van de 20 % hoogste inkomens volgt 46 % van de kinderen hoger onderwijs. Bij het laagste vijfde van de inkomens is dat slechts 29 %. Die elementen maken dat 40 % van het totale budget voor onderwijsvoorzieningen naar gezinnen met een hooggeschoold gezinshoofd gaat, ook al spreken we hier over slechts 26 % van de jongeren tussen 18 en 25 jaar. Toch werkt het systeem tot op een zekere hoogte rechtvaardig. Door hun hoge participatie vloeit bijvoorbeeld het gros van de subsidies aan de onderwijsinstellingen (41 %) in feite terug naar gezinnen met een hooggeschoold gezinshoofd, terwijl studenten uit gezinnen die tot de laagste inkomenscategorie behoren, kunnen genieten van 54 % van de studietoelagen. Door de impact van het inkomen en de samenstelling van het gezin op de onderwijsvoorzieningen werkt het systeem efficiënt. Zo bedraagt de overheidstussenkomst voor een langdurig werkloze alleenstaande ouder met drie studenten ten laste 14.000 euro, terwijl een gezin met één student en een inkomen dat tweeënhalve keer hoger ligt dan het minimumloon amper 1500 euro ontvangt. "De studietoelagen kennen een sterk degressief verloop met het stijgende inkomen," lezen we in het onderzoek. "De volledige studietoelage bedroeg in het academiejaar 2004-2005 voor een niet-kotstudent 1842 euro, maar zelfs een gezin met een minimumloon kwam - voor zover er maar één hoger onderwijsstudent is - niet in aanmerking voor een volledige studietoelage. De uitloopzone begint dus zelfs voor het minimumloon en eindigt - althans voor gezinnen met slechts één hogeschoolstudent - bij het dubbele van het minimumloon." Die situatie is niet zonder gevolg voor de betaalbaarheid van de studies. Hier bestaat het risico dat ouders andere middelen moeten aanwenden (middelen die gebruikt worden voor het normale levensonderhoud) om hun kinderen de kans te geven om te studeren. Gegevens van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap tonen aan dat de studiekosten een stuk hoger liggen dan de maximumtoelage. De studiekosten voor een kotstudent aan een universiteit bedroegen in het academiejaar 2004-2005 welgeteld 3854 euro. Terwijl de volledige studietoelage 3069 euro bedraagt. Slechts 80 % wordt dus gedekt door de toelage. Voor hogeschoolstudenten is dat nog lager: 76 %. De conclusies van de auteurs zijn duidelijk: alle tegemoetkomingen van de overheden samen zijn voldoende om de studiekosten te dekken, maar de klassieke studiebeurs zelf schiet daarbij tekort. De auteurs stellen: "Vanuit democratiseringsoogpunt is het aangewezen dat de studietoelagen niet enkel de directe studiekosten dekken, maar ook een deel van de indirecte studiekosten, om aldus de financiële drempel tot het hoger onderwijs te verlagen." Het CSB pleit ervoor om niet alleen de maximumgrenzen, maar ook de minimumgrenzen op te trekken. Toch scoort Vlaanderen niet slecht als we vergelijken met andere landen. Voor lage-inkomensgezinnen (tot zo'n 120 % van het minimumloon) zijn de niet-terugvorderbare voorzieningen (daar vallen de studieleningen niet onder) bij ons hoger dan in Nederland of Groot-Brittannië. In Zweden zijn de toelagen hoger. Wanneer we hoger opklimmen in de inkomenscategorieën, dan blijkt dat de toelagen in Vlaanderen lager zijn dan in Nederland, maar nog altijd hoger dan bij de Britten. Die vergelijkingen lopen echter voor een deel mank. In Nederland, Groot-Brittannië en Zweden (de drie landen die in het CSB-onderzoek als benchmark gelden) blijkt de financiering van de studies niet zo'n probleem te zijn, omdat studenten daar een beroep kunnen doen op studieleningen. In Zweden kunnen studenten bijvoorbeeld een beroep doen op 20.000 euro, waarvan 62 % studieleningen. Is zo'n een systeem ook in Vlaanderen toepasbaar? Het CSB stelt zich daar vragen bij. Het Antwerps onderzoeksinstituut is niet blind voor de evolutie in andere landen waar de systemen voor studiefinanciering steeds selectiever worden met hogere inschrijvingsgelden en het stijgende belang van studieleningen. Vooral Groot-Brittannië speelt hierin een voortrekkersrol. In Engeland is het bedrag van een lening beperkt: alle studenten kunnen ten minste 75 % van het maximumbedrag lenen. De overige 25 % hangt af van het inkomen. Ondanks het feit dat het huidige systeem niet perfect werkt, pleit het CSB niet voor een radicale aanpassing. De combinatie universaliteit (via onder andere kinderbijslagen) en selectiviteit (via studiebeurzen) moet bewaard blijven. Een bijsturing zou bestaan uit de invoering van een getrapt systeem, waarbij de inschrijvingsgelden voor de basisopleidingen niet te hoog oplopen. Ten tweede zou een basisstudiefinanciering kunnen worden ingevoerd (onder andere ter vervanging van de kinderbijslagen) met daaraan gekoppeld een "middelengetoetste studietoelage voor studenten uit lagere inkomenscategorieën." De auteurs menen ook dat de invoering van studieleningen overwogen moet worden. In een steeds vrijere en internationalere onderwijsmarkt en op een moment dat levenslang leren eerder de regel wordt dan de uitzondering, lijken studieleningen onvermijdelijk geworden. (*) Bea Cantillon, Gerlinde Verbist en Ian Segal, Student in de 21ste eeuw: studiefinanciering voor het hoger onderwijs in Vlaanderen. CSB, Anwterpen, 2006, 35 blz.Alain Mouton