Toen begin de jaren negentig het veel geroemde, vaak tot voorbeeld gestelde Zweedse model als een zeepbel uiteenspatte, vroegen velen zich af hoe het zover was kunnen komen. De meer relevante vraag luidde echter hoe het zolang had kunnen duren vooraleer dat model in duigen viel. Via torenhoge belastingtarieven en een op den duur onontwarbaar kluwen van reglementeringen allerhande twee basiskenmerken van een moderne verzorgingsstaat waren eerst de Zweedse economie en in het zog daarvan de maatschappij in haar geheel in een diepe crisis terechtgekomen. Het basismechanisme van dat Zweedse model het overleg tussen de staat en de georganiseerde belangengroepen functioneerde niet meer.
...

Toen begin de jaren negentig het veel geroemde, vaak tot voorbeeld gestelde Zweedse model als een zeepbel uiteenspatte, vroegen velen zich af hoe het zover was kunnen komen. De meer relevante vraag luidde echter hoe het zolang had kunnen duren vooraleer dat model in duigen viel. Via torenhoge belastingtarieven en een op den duur onontwarbaar kluwen van reglementeringen allerhande twee basiskenmerken van een moderne verzorgingsstaat waren eerst de Zweedse economie en in het zog daarvan de maatschappij in haar geheel in een diepe crisis terechtgekomen. Het basismechanisme van dat Zweedse model het overleg tussen de staat en de georganiseerde belangengroepen functioneerde niet meer. Gaat het met ons sociaal overlegmodel dezelfde weg op ? De jongste gebeurtenissen rond het gesprek tussen de sociale gesprekspartners indachtig, moeten we deze vraag positief beantwoorden. De laatste keer dat het overlegmechanisme op een constructieve wijze bijdroeg tot een gedegen beleid was naar aanleiding van de devaluatie begin 1982. Mee onder druk van de omstandigheden werd toen een kader geschapen (desindexering, begeleidende maatregelen...) dat van die devaluatie een geslaagde ingreep maakte. Sindsdien palaveren de sociale partners veel. Ze kwamen zelfs af en toe tot een vergelijk, maar qua resultaten ging het van kwaad naar erger. Een tweede en wellicht nog belangrijker vraag ten aanzien van het Belgische consensusmodel is of het opblazen van het sociaal overlegmechanisme een slechte zaak zou zijn voor de Belgische economie en onze algemeen-maatschappelijke welvaart. Ook hier leert de evidentie ons dat we allicht beter af zouden zijn zonder die relikwie. In plaats van een sleutel tot de oplossing, vormt het almaar méér een wezenlijk onderdeel van onze problemen inzake tewerkstelling, economische vernieuwing, openbare financiën en sociale zekerheid.Als we ervan uitgaan dat het nastreven van een zo volledig mogelijke tewerkstelling één van de hoofdprioriteiten van dat sociaal overlegmodel was en is, dan is het nauwelijks overdreven om dat model tijdens de voorbije twee decennia af te doen als een totale mislukking. België telt vandaag zo'n half miljoen officieel geregistreerde werklozen en daarnaast nog eens een half miljoen mensen die intrinsiek perfect in staat zijn om te werken, maar waarvoor ons systeem geen jobs meer kan genereren. Dat laatste half miljoen wordt simpelweg uit de statistieken geschrapt (bijvoorbeeld oudere werklozen) of weggeduwd in allerhande regimes zoals brugpensioen, speciale tewerkstellingsprogramma's, loopbaanonderbreking enzovoort. Mede door de explosie van de werkloosheid is een ander objectief van het sociaal overlegmodel, namelijk de inkomensvastheid, eveneens volkomen de mist in gegaan. De werkenden genieten weliswaar van loonindexering, maar krijgen voortdurend zwaardere directe (en indirecte) belastingen te verwerken. En natuurlijk is de inkomensval voor de werklozen aanzienlijk. Tussen haakjes, arbeidsduurverkorting nog zo'n kind van het gecentraliseerde sociaal overleg werd in België intensief toegepast, maar zonder echt tastbaar resultaat. Het sociale overlegmodel zoals België dat kent, heeft ook een belangrijke rol gespeeld in de ontreddering van onze publieke financiën. Concreet kwam het er in het verleden immers al te vaak op neer dat het vergelijk dat de sociale partners bereikten over lonen en arbeidsvoorwaarden aanzienlijke financiële gevolgen had voor de nationale begroting. Leidden de binnen dat sociaal overleg gemaakte afspraken tot vernietiging van werkgelegenheid wat, zacht uitgedrukt, nogal eens het geval was dan werd van de regering verwacht dat ze niet alleen genereus werkloosheidsvergoedingen uitkeerde, maar ook allerhande initiatieven nam om tot een zogenoemd actief tewerkstellingsbeleid te komen.Fundamenteel vormt het sociaal overlegmodel op zijn Belgisch eigenlijk niet veel meer dan een subtiel georganiseerd herverdelingsmechanisme. De syndicale organisaties verdedigden decennialang consequent de belangen van de werkenden met weinig oog voor die van de werkzoekenden. De patronale organisaties pleiten wel voor flexibiliteit op de arbeidsmarkt, maar gedragen zich totaal anders wanneer de discussie zich toespitst op concurrentiebelemmeringen in hun productmarkten. De patronale houding ten opzichte van overheidsbestellingen, openingsuren voor winkels en ontwikkelingshulp gereserveerd voor de eigen bedrijven vormt daarvan een typische illustratie.Velen zullen het nog altijd onfatsoenlijk vinden om een dergelijke stelling te poneren, maar het sociale overleg op zijn Belgisch heeft geen reden van bestaan meer. Tenzij men natuurlijk de geprivilegieerde jobs (en inkomens) van een aantal betrokkenen als een voldoende reden beschouwt om de huidige toestand voort te zetten. Het ligt immers voor de hand dat, als men het gecentraliseerde overleg vaarwel zegt, men ook onmiddellijk de nodige vraagtekens kan zetten bij het instandhouden van instellingen als de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad. JOHAN VAN OVERTVELDT