België telde vorig jaar 1.035.469 zelfstandigen. Een record. In 2012 waren het er nog 988.567. Het aantal zelfstandigen in hoofdberoep neemt al vijftien jaar gestaag toe. Bij de eeuwwisseling waren ze met 586.394, nu met 704.373. Ook het aantal starters stijgt. In 2000 waren er zo'n 54.000, vorig jaar kwamen er 103.200 bij. En de trend zette in de eerste helft van 2016 door. Toen kwamen er 48.863 starters (zelfstandigen en ondernemingen) bij, 4,5 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar.
...

België telde vorig jaar 1.035.469 zelfstandigen. Een record. In 2012 waren het er nog 988.567. Het aantal zelfstandigen in hoofdberoep neemt al vijftien jaar gestaag toe. Bij de eeuwwisseling waren ze met 586.394, nu met 704.373. Ook het aantal starters stijgt. In 2000 waren er zo'n 54.000, vorig jaar kwamen er 103.200 bij. En de trend zette in de eerste helft van 2016 door. Toen kwamen er 48.863 starters (zelfstandigen en ondernemingen) bij, 4,5 procent meer dan in dezelfde periode vorig jaar. Opvallend: twee derde van de nieuwe zelfstandigen zijn geen nieuwkomers op de ar-beidsmarkt. Ze hebben gewoon het werknemersstatuut verlaten. Zou de verklaring liggen in het verbeterde sociaal statuut? Zo is het minimumpensioen van de zelfstandigen sinds begin augustus even hoog als dat van werknemers. En ook in de kinderbijslag en het ouderschapsverlof zijn de verschillen grotendeels weggewerkt. De risico's en de precaire sociale bescherming eigen aan het zelfstandigenstatuut schrikten mensen al te vaak af. Is daar nu verandering in gekomen? Unizo-topman Karel Van Eetvelt nuanceert: "Ik denk dat de stijging van het aantal zelfstandigen vooral een gevolg is van de conjunctuur. Als het economisch beter gaat, wagen meer mensen de sprong naar het zelfstandigenstatuut. De betere sociale bescherming speelt volgens mij maar voor een beperkte groep een rol. Meer nog, als ik jongeren hoor die zelfstandige worden in bijberoep, dan geven ze één reden aan waarom ze geen zelfstandige in hoofdberoep willen worden: de sociale bescherming is toch nog te beperkt. Voor pensioenen en gezondheidszorg is er een aanzienlijke verbetering. Maar als je het vangnet voor werkloze werknemers vergelijkt met de bescherming van zelfstandigen na een faillissement of bij zware economische problemen, blijft de kloof enorm." Een overzicht van de regeringsmaatregelen sinds de eeuwwisseling toont aan dat het sociaal statuut van de zelfstandigen anno 2016 niet meer te vergelijken is met dat van pakweg 2001. Al verschilt de situatie inderdaad naargelang van de tak van de sociale zekerheid. Sinds 1 augustus 2016 zijn de minimumpensioenen voor zelfstandigen en loontrekkenden gelijkgeschakeld. Het minimale gezinspensioen bedraagt nu 1460,45 euro, voor alleenstaanden gaat het om 1168,73 euro. De zelfstandigen komen van ver. In 1980 was er een verschil van 38 procent. Het minimumpensioen bij de werknemers lag toen op 33.712 frank (824,77 euro) per maand, terwijl zelfstandigen het met 20.917 frank (518,52)moesten stellen. Een alleenstaande gepensioneerde kon minstens op 26.976 frank per maand (668,72) rekenen, een zelfstandige slechts op 16.734 frank (414,83 euro). De voorbije jaren is de kloof langzaam maar zeker gedicht. Deze versterking van het zelfstandigenpensioen komt boven op de uitdoving van de pensioenmalus voor zelfstandigen. Tot 2014 verloor een zelfstandige een deel van zijn pensioen wanneer hij vroeger stopte met werken. Voor een zelfstandige die stopte op zijn 60ste en nog geen 42 jaar had gewerkt, kon die malus oplopen tot 25 procent. Voor de werknemers werd de malus voor loontrekkenden al eind jaren negentig afgeschaft. Wel zijn de regels voor vervroegd pensioen strenger geworden. In 2016 bedraagt de minimumleeftijd waarop zelfstandigen met pensioen kunnen gaan 62 jaar (60 jaar bij een loopbaan van 42 jaar). Dat wordt tegen 2019 opgetrokken naar 63 jaar (60 jaar bij een loopbaan van 44 jaar). Maar hier is geen sprake van ongelijke behandeling, want de regels voor zelfstandigen en werknemers zijn identiek. Ook belangrijk: de regering-Michel besliste dat gepensioneerden die 65 jaar of ouder zijn, of minstens 45 loopbaanjaren bewijzen, voortaan onbeperkt mogen bijverdienen, met behoud van het pensioen. Onder de regering-Di Rupo waren de regels voor het bijverdienen voor gepensioneerden al versoepeld. Dat leidde tot een stijging van het aantal zelfstandigen dat na zijn pensioen toch nog bleef werken: van 78.895 in 2012 tot 93.583 in 2015. Een andere significante opwaardering van het zelfstandigenstatuut dateert van 2004. Sindsdien zijn ook zelfstandigen gedekt voor de zogenaamde kleine risico's in de ziekteverzekering (doktersbezoeken, tandarts, geneesmiddelen, ...). Voor 2004 gold dat enkel voor grote risico's (heelkundige ingrepen, ziekenhuisverblijf, ...), wat betekent dat een zelfstandige die voor de kleine risico's verzekerd wilde zijn, een aanvullende polis moest afsluiten. Intussen zijn ook de vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid van zelfstandigen opgetrokken. Voor een alleenstaande bedraagt die 42,01 euro per dag. In 2000 was dat nog 14,8 euro. De kloof met de werknemers blijft wel groot. Bij een loontrekkende bedraagt de uitkering 60 procent van het brutoloon van de laatste gewerkte dag voor de arbeidsongeschiktheid, met een maximum van 79,95 euro per dag. Simulaties leren dat het maximuminkomen van werknemers bij arbeidsongeschiktheid 1848 euro bedraagt. Voor een zelfstandige is dat 1273 euro. Bovendien krijgen zelfstandigen in de eerste maand arbeidsongeschiktheid geen uitkering, terwijl het loon van de werknemer wordt doorbetaald. Een andere discriminatie die is weggewerkt, is het verschil in kinderbijslag. Sinds 1 januari 2014 is een kind een kind. Dat is een gevolg van de zesde staatshervorming, waarbij de kinderbijslag werd overgeheveld naar de deelstaten. Voor het eerste kind bedraagt de kinderbijslagvergoeding nu 92,09 euro, ongeacht het statuut van de ouders. Vijftien jaar geleden was dat 70 euro voor het eerste kind van een werknemer en 20 euro voor de eerstgeborene van een zelfstandige. Ook voor het tweede (170,39 euro nu versus 129,15 in 2001) en derde kind (254,4 versus 192,81 euro) liggen de kinderbijslagbedragen voor zelfstandigen nu een stuk hoger dan aan het begin van de eeuw. Wie kinderen zegt, zegt bevallingsverlof. Ook daarvoor is de situatie aanzienlijk verbeterd. Jarenlang was de druk bij moeders in het zelfstandigenstatuut groot om na de zwangerschap snel opnieuw aan de slag te gaan. Het moederschapsverlof bedroeg trouwens maximaal zes weken. Intussen is dat opgetrokken tot twaalf weken waarvan drie weken verplicht. Het verschil met de werknemers (vijftien weken) is beperkt. De uitbreiding van het sociaal vangnet van zelfstandigen belet niet dat het armoederisico bij zelfstandigen nog altijd vier keer hoger ligt dan bij werknemers. Een op de zes zelfstandigen in hoofdberoep leeft in structurele armoede. Dat wil zeggen dat zijn inkomen onder de Europese armoedegrens van 13.200 euro per jaar ligt. Nieuwe zelfstandigen (minder dan vijf jaar actief) bevinden zich vaker onder de armoedegrens. De risico's zijn het grootst in horeca, landbouw, visserij en dienstensector. De vrije beroepen hebben de grootste financiële zekerheid. "Wat vaak onder de radar blijft, zijn zelfstandigen met een gemengde loopbaan die nog altijd geen 1000 euro pensioen hebben", zegt Karel Van Eetvelt. "Daarnaast wordt vaak vergeten dat zelfstandigen hun eigen middelen aanspreken om hun zaak overeind te houden wanneer ze in grote financiële moeilijkheden komen. Als ze toch failliet gaan, hebben ze niets meer. Terwijl een werknemer die zijn baan verliest, behalve over de werkloosheidsuitkering vaak ook nog over spaarcenten beschikt om de moeilijke periode door te komen." Er bestaat wel een faillissementsverzekering voor zelfstandigen die 1092,36 euro per maand uitbetaalt, gedurende maximaal een jaar. Voor een gezinshoofd is dat 1460,45 euro. Ook dat bedrag lag een aantal jaren geleden veel lager: 657,6 euro per maand gedurende maximaal zes maanden. Wie voor zijn zelfstandige activiteit werknemer was, heeft soms recht op een werkloosheidsuitkering. Alles hangt af van het laatste loon als werknemer. Wel heeft een zelfstandige slechts recht op een werkloosheidsuitkering als die maximaal 15 jaar zelfstandige is geweest. "Hier zijn nog geen grote stappen gedaan om de minimumrechten voor zelfstandigen op gelijke hoogte te brengen met die van werknemers", stelt Karel Van Eetvelt vast. "De inkomensonzekerheid bij mislukking of het plots terugvallen van de omzet weegt duidelijk zwaar voor zelfstandigen. Zeker voor freelancers, die in dat zelfstandigenstatuut een snel groeiende groep zijn." Vandaag zijn er in België zo'n 139.000 freelancers (IT'ers, copywriters, consultants, analisten, ...), 5 procent meer dan vorig jaar. De Unizo-topman geeft de regering wel goede punten voor de uitbreiding van het sociale vangnet voor zelfstandigen bij economische tegenslag. Die belangrijke maatregel nam ze net voor de zomer.Die verzekering dekt ook stopzettingen om economische redenen. Zelfstandigen die in financiële problemen komen en hun activiteit stopzetten voor er sprake is van een faillissement, kunnen een beroep doen op bijstand. Want de faillissementsverzekering geldt maar in een beperkt aantal gevallen, zoals faillissement, collectieve schuldenregeling of brand en vernieling. In de praktijk betekent dat dat maar een klein deel van de zelfstandigen er gebruik van kon maken. In 2014 zetten zo'n 34.000 zelfstandigen hun activiteit stop, terwijl slechts een 600-tal uitkeringen werden toegekend. Het nieuwe overbruggingsrecht bedraagt 1169 euro per maand voor een alleenstaande en 1460 euro voor een gezinshoofd. Een soort van werkloosheidsuitkering 'light'. Karel Van Eetvelt: "Wij dringen daar al jaren op aan, maar een echte werkloosheidsverzekering kun je het niet noemen. Ze is beperkt tot maximaal één jaar. Het is wel een incentive voor zelfstandigen om opnieuw te beginnen." ALAIN MOUTON"Als je het vangnet voor werkloze werknemers verge-lijkt met de bescherming van zelfstandigen na een faillissement of bij zware economische problemen, blijft de kloof enorm" - Karel Van Eetvelt, Unizo