Enkele weken geleden rondde de regering in alle stilte de begrotingscontrole voor dit jaar af. Met enkele miljarden links en rechts klaarde ze de klus in geen tijd. Met de begroting van 1997 zit alles snor : we halen probleemloos de 3 %-norm voorgeschreven door het Verdrag van Maastricht. Voor België ligt de weg naar de Europese Monetaire Unie ( EMU) wijd open. Zo verkondigden onder meer premier Jean-Luc Dehaene (CVP) en zijn minister van Begroting Herman Van Rompuy (CVP).
...

Enkele weken geleden rondde de regering in alle stilte de begrotingscontrole voor dit jaar af. Met enkele miljarden links en rechts klaarde ze de klus in geen tijd. Met de begroting van 1997 zit alles snor : we halen probleemloos de 3 %-norm voorgeschreven door het Verdrag van Maastricht. Voor België ligt de weg naar de Europese Monetaire Unie ( EMU) wijd open. Zo verkondigden onder meer premier Jean-Luc Dehaene (CVP) en zijn minister van Begroting Herman Van Rompuy (CVP). De woorden van de excellenties zijn nauwelijks koud of uit de Wetstraat concreter : vanuit bepaalde ministeriële kabinetten begint een lichte alarmkreet rond de begroting 1998 te weerklinken. Voor volgend jaar aldus deze bronnen dient de regering opnieuw op zoek te gaan naar 40 à 50 miljard frank teneinde de 3 %-norm te halen. Een dergelijke vaststelling zo kort na een inhoudloze begrotingscontrole : mag het woord hallucinant vallen ? Schuldig verzuim typeert de situatie zo mogelijk nog beter. Het is uiteraard nog te vroeg om een grondige analyse te maken van wat er verkeerd loopt. De onmogelijkheid om dat onderzoek te doen, heeft ook en vooral te maken met het feit dat de overheid cijfergegevens achterhoudt. De evolutie van de uitgaven voor gezondheidszorg vormt hiervan het meest sprekende voorbeeld.Iedereen die de voorbije jaren het gevoerde begrotingsbeleid heeft gevolgd, kan perfect de redenen opsommen waarom voor de zoveelste keer een nieuwe forse inspanning zal worden gevraagd van de bevolking. Het Belgische begrotingsbeleid draagt drie steeds weerkerende kenmerken : belastingverhogingen, eenmalige ingrepen en prognose-optimisme. Deze drie ingrediënten maken dat men elk jaar opnieuw het begrotingshuiswerk moet overdoen. De voortdurende opvoering van de belastingdruk werkt als een sluipmoordenaar. Zonder gezien te worden, zorgt die voor slachtoffers bij de vleet. De hogere belastingdruk zorgt voor inefficiënties in de aanwending van de beschikbare productiemiddelen en remt de aansporing tot ondernemen, vernieuwen en arbeiden tout court. Dit leidt tot minder economische groei en lagere tewerkstelling, en voor de overheid dus ook tot de zo gevreesde Siamese tweeling minder inkomsten, meer uitgaven. Wat betreft eenmalige maatregelen serveerde de regering ons de voorbije jaren voortdurend nieuwe gerechten. De boeking van de privatiseringsopbrengsten rechtstreeks in de lopende inkomsten vormt allicht één van de meest sprekende voorbeelden. De uitbetaling van ambtenarenvergoedingen en pensioenen ná 31 december moet daar weinig voor onderdoen. We hebben het dan nog niet over de bijzonder handig opgezette trucs waarbij gedurende enkele dagen een pakket overheidsschuld verdwijnt (zie Trends van 9 januari 1997). Het wezenlijke kenmerk van eenmalige maatregelen is echter dat ze onvermijdelijk aanleiding geven tot een terugkeer naar de vroegere situatie. Met andere woorden, na enige tijd kan men opnieuw van vooraf aan beginnen.Dat regeringen voortdurend de zaken rooskleuriger pogen voor te stellen dan de realiteit, is een algemeen gegeven. Dit geldt ook voor de Belgische regering inzake de toestand van de publieke financiën. Een excuus is dat we onze economische groei vooral te danken hebben aan de export en de investeringen. Deze bestedingscategorieën leveren de Schatkist minder belastingopbrengsten op dan bijvoorbeeld een groei-impuls, gedragen door consumptieve uitgaven. Het gaat echter niet op deze vaststellingen als verrassingen te catalogiseren. Elke ernstige conjunctuuranalist kon dit al maanden geleden netjes voorrekenen aan de regering. Tegen de achtergrond van deze "nieuwe" begrotingssituatie voor 1998 krijgen de woorden van vice-premier Elio di Rupo (PS) in een recent interview met De Financieel Economische Tijd een extra dimensie. De vice-premier had het daarin over "bedrijfsleiders die zich aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheden onttrekken". Hij is het ook beu om "lessen te krijgen van patroons die zelf een 'zot' inkomen genieten dat in geen verhoudng staat tot hun reële prestaties." Zouden de tijden niet zo troebel zijn in dit land, dan had men hartelijk kunnen lachen met de woordenkramerij van de PS-excellentie. Hier spreekt immers het boegbeeld van de partij die zich de jongste decennia klaarblijkelijk als hoogste doel in de politiek gesteld had om zoveel mogelijk geld weg te graaien uit de kassa's gespekt door de brave belastingbetalers. Een voorwaar rare definitie van "maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen".Los van de bedenking waar nu net iemand als Elio di Rupo het morele en zelfs het maatschappelijke recht vandaan haalt om een oordeel te vellen over het al dan niet "zotte" karakter van ondernemersinkomens, illustreert het di Rupo-interview nagenoeg perfect hoe deze man en zijn partij een overlevend, maar toch levenloos fossiel geworden zijn. Zij staan voor een sociaal-economisch model dat geen enkele band meer heeft met de realiteit van vandaag en de ware behoeften en noden van de mensen. Een dergelijke archaïsche houding aannemen, is evengoed schuldig verzuim.Johan Van Overtveldt