De relanceplannen en vooral de tegenvallende conjunctuur zullen onvermijdelijk de overheidsfinanciën in dieprode cijfers sturen. Een tekort van bijna 4 procent van het bbp dit jaar en zowat 5 procent volgend jaar lijkt erg waarschijnlijk. Samen met de reddingsinitiatieven voor de financiële sector zal dat de overheidsschuld snel terug naar 100 procent van het bbp duwen. Zo'n schulddynamiek doet al snel verontrustende herinneringen aan het begin van de jaren tach...

De relanceplannen en vooral de tegenvallende conjunctuur zullen onvermijdelijk de overheidsfinanciën in dieprode cijfers sturen. Een tekort van bijna 4 procent van het bbp dit jaar en zowat 5 procent volgend jaar lijkt erg waarschijnlijk. Samen met de reddingsinitiatieven voor de financiële sector zal dat de overheidsschuld snel terug naar 100 procent van het bbp duwen. Zo'n schulddynamiek doet al snel verontrustende herinneringen aan het begin van de jaren tachtig de kop opsteken. Toen werd een rentesneeuwbal aan het rollen gebracht die de schuld van 76 procent van het bbp in 1980 naar 137 procent in 1993 stuurde. Die nefaste schulddynamiek werd pas na jarenlange inspanningen doorbroken. Hoewel de budgettaire situatie vandaag ernstig is, liggen de kaarten toch duidelijk anders. Het begrotingstekort piekte in 1981 op 15,1 procent en de impliciete rente op de overheidsschuld schommelde tien jaar rond 9 procent. Vandaag is de overheid op weg naar een tekort van 5 procent en ligt de impliciete rente op 4,3 procent. Anderzijds ligt de nominale economische jaargroei vandaag duidelijk onder het gemiddelde van 6,7 procent doorheen de jaren tachtig. De impliciete rente zal de komende jaren oplopen, maar toch heel wat lager blijven dan 9 procent. Zonder totale economische stagnatie en/of spectaculaire opstoot van de rente kan de overheid de komende jaren dus met redelijke inspanningen de schulddynamiek terug onder controle krijgen. Bij een nominale groei van 3 procent en een impliciete rente die snel oploopt naar 6 procent (beide redelijk extreme veronderstellingen) zou de overheid de schuld kunnen stabiliseren rond 105 procent van het bbp door het primaire overschot in de komende tien jaar geleidelijk te verhogen tot 4 procent van het bbp, wat een gelijkaardige inspanning zou zijn als in de jaren negentig. Als extreme risicoscenario's uitblijven, moet het dus lukken om een nieuwe schuldexplosie te vermijden. Tot zover echter het goede nieuws. De structurele uitdaging van de vergrijzing zit er immers nog altijd onverminderd aan te komen. De komende jaren zal dus veel meer nodig zijn dan een stabilisatie van de overheidsschuld. Om de structurele uitdagingen op te vangen, is er dringend nood aan een nieuw groot plan dat de devaluatie van begin jaren tachtig en het Globaal Plan van 1993 ruim overtreft.