" Niets" beloven is tegenwoordig helemaal in. De CEO's van de belangrijkste bedrijven haasten zich om te verklaren dat ze zich inzetten om "netto nul" uit te stoten. Daarmee laten ze verstaan dat hun ondernemingen de netto-uitstoot van broeikasgassen zullen terugbrengen tot nul. Sommige hebben zelfs de ambitie om negatief te scoren, eventueel door gebruik te maken van technologie die koolstofdioxide uit de lucht zuigt en begraaft. Die beloften stroken met de verbintenissen die veel regeringen zijn aangegaan in het kader van het klimaatakkoord van Parijs, om de nationale uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 terug te dringen en de opwarming van de aarde tegen te gaan.

Het is voor bedrijfsleiders verontrustend makkelijk ambitieuze doelstellingen vast te leggen, waarvoor ze als puntje bij paaltje komt toch nooit verantwoordelijk gesteld zullen worden.

In het verleden deinsden veel industrieën ervoor terug de veeleisende klimaatdoelstellingen te omarmen, of ze lobbyden er zelfs tegen. Een recente analyse van de grootste 2.000 beursgenoteerde ondernemingen van de wereld toont evenwel dat ruim een vijfde zichzelf netto-nuldoelstellingen heeft opgelegd. In de Verenigde Staten heeft ongeveer een kwart van de grote industriële bedrijven uit de S&P500-index dat gedaan. Techreuzen als Alphabet en Microsoft beweren zelfs dat ze al de koolstof die ze hebben uitgebraakt, weer uit de atmosfeer zullen halen.

Een stevige korrel zout

Die klimaatambities zijn lovenswaardig, maar om twee redenen is het beter zulke ronkende verklaringen met een stevige korrel zout te nemen. Ten eerste gebruiken veel ondernemingen behoorlijk gladde termen voor hun klimaatambities, gaande van netto nul en koolstofneutraal tot nuluitstoot en koolstofnegatief. Ze betekenen niet noodzakelijk dat een bedrijf zich ertoe verbindt zwaar te snoeien in zijn uitstoot van broeikasgassen. De meeste ondernemingen zijn van plan hun uitstoot enigszins te verminderen, wat pijnlijk en duur kan uitvallen. De rest van hun koolstofdoelstelling willen ze halen door goedkopere compensaties te kopen, die van zeer uiteenlopende kwaliteit zijn. Het gaat bijvoorbeeld over kredieten voor projecten rond hernieuwbare energie of om bossen te beschermen die koolstof vasthouden. Dat achterpoortje biedt bedrijven de kans om groene beloften te maken, zonder uit te leggen hoe ze precies schoon schip willen maken.

Ten tweede slaan de meeste van die beloften op 2040, 2050 of nog later. Geen enkele van de bedrijfsleiders die nu de beloften maken, zullen dan nog de touwtjes in handen hebben. Het is voor hen dan ook verontrustend makkelijk ambitieuze doelstellingen vast te leggen waarvoor ze als puntje bij paaltje komt toch nooit verantwoordelijk gesteld zullen worden. Veel bedrijven gebruiken die verre tijdshorizon ook als excuus om niet te verduidelijken hoe ze hun doelstellingen zullen halen. Ze verwijzen liever naar toekomstige innovaties, die het probleem als bij toverslag zullen oplossen.

Compensaties tellen niet

Er is dus meer dan genoeg ruimte voor scepticisme, maar er zijn ook twee goede redenen om te geloven dat ondernemingen in 2022 effectief serieus werk zullen maken van hun ambities. Om te beginnen wordt vooruitgang verwacht op het gebied van wereldwijde regelgeving en industriële standaardisering. Die moeten de oplichters ontmaskeren en de ware voorvechters steunen. De International Financial Reporting Standards Foundation in Londen helpt overheden en regelgevers standaarden te ontwikkelen over de manier waarop beursgenoteerde bedrijven de klimaatgerelateerde risico's van hun activiteiten moeten rapporteren. De publicatie van de eerste reeks standaarden is voor midden 2022. De langverwachte regels van de Europese Unie die vermogenbeheerders verplichten openbaar te maken hoe ze rekening houden met het milieu, worden normaal in juli gepubliceerd. Ook de regelgevers in de VS en Singapore zullen wellicht in 2022 nieuwe voorschriften voor bedrijven bekendmaken over de vrijgave van data omtrent het klimaat.

De andere reden om toch hoopvol te zijn komt van onderuit. Het Science Based Targets initiative (SBTi), een vrijwillig project van ecologische en internationale organisaties (waaronder de Verenigde Naties) zet druk op de bedrijfswereld om ernstige energieneutrale verbintenissen aan te gaan, die aansluiten bij de doelstellingen in het akkoord van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken. De experts van het SBTi zullen enkel officiële erkenning verlenen aan bedrijven die strenge normen hanteren om klimaatgegevens te meten en openbaar te maken, en die serieuze plannen hebben om hun koolstofuitstoot in te dijken. Compensaties van welke aard dan ook tellen bijvoorbeeld niet mee.

Ondernemingen met wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen hebben sinds 2015 hun gezamenlijke uitstoot van broeikasgassen met een kwart teruggedrongen. Wereldwijd is de uitstoot van energie en industriële processen in diezelfde periode met 3,4 procent toegenomen. 'Greenwashers' hebben hier met andere woorden niets te zoeken.

" Niets" beloven is tegenwoordig helemaal in. De CEO's van de belangrijkste bedrijven haasten zich om te verklaren dat ze zich inzetten om "netto nul" uit te stoten. Daarmee laten ze verstaan dat hun ondernemingen de netto-uitstoot van broeikasgassen zullen terugbrengen tot nul. Sommige hebben zelfs de ambitie om negatief te scoren, eventueel door gebruik te maken van technologie die koolstofdioxide uit de lucht zuigt en begraaft. Die beloften stroken met de verbintenissen die veel regeringen zijn aangegaan in het kader van het klimaatakkoord van Parijs, om de nationale uitstoot van broeikasgassen tegen 2050 terug te dringen en de opwarming van de aarde tegen te gaan. In het verleden deinsden veel industrieën ervoor terug de veeleisende klimaatdoelstellingen te omarmen, of ze lobbyden er zelfs tegen. Een recente analyse van de grootste 2.000 beursgenoteerde ondernemingen van de wereld toont evenwel dat ruim een vijfde zichzelf netto-nuldoelstellingen heeft opgelegd. In de Verenigde Staten heeft ongeveer een kwart van de grote industriële bedrijven uit de S&P500-index dat gedaan. Techreuzen als Alphabet en Microsoft beweren zelfs dat ze al de koolstof die ze hebben uitgebraakt, weer uit de atmosfeer zullen halen. Die klimaatambities zijn lovenswaardig, maar om twee redenen is het beter zulke ronkende verklaringen met een stevige korrel zout te nemen. Ten eerste gebruiken veel ondernemingen behoorlijk gladde termen voor hun klimaatambities, gaande van netto nul en koolstofneutraal tot nuluitstoot en koolstofnegatief. Ze betekenen niet noodzakelijk dat een bedrijf zich ertoe verbindt zwaar te snoeien in zijn uitstoot van broeikasgassen. De meeste ondernemingen zijn van plan hun uitstoot enigszins te verminderen, wat pijnlijk en duur kan uitvallen. De rest van hun koolstofdoelstelling willen ze halen door goedkopere compensaties te kopen, die van zeer uiteenlopende kwaliteit zijn. Het gaat bijvoorbeeld over kredieten voor projecten rond hernieuwbare energie of om bossen te beschermen die koolstof vasthouden. Dat achterpoortje biedt bedrijven de kans om groene beloften te maken, zonder uit te leggen hoe ze precies schoon schip willen maken. Ten tweede slaan de meeste van die beloften op 2040, 2050 of nog later. Geen enkele van de bedrijfsleiders die nu de beloften maken, zullen dan nog de touwtjes in handen hebben. Het is voor hen dan ook verontrustend makkelijk ambitieuze doelstellingen vast te leggen waarvoor ze als puntje bij paaltje komt toch nooit verantwoordelijk gesteld zullen worden. Veel bedrijven gebruiken die verre tijdshorizon ook als excuus om niet te verduidelijken hoe ze hun doelstellingen zullen halen. Ze verwijzen liever naar toekomstige innovaties, die het probleem als bij toverslag zullen oplossen. Er is dus meer dan genoeg ruimte voor scepticisme, maar er zijn ook twee goede redenen om te geloven dat ondernemingen in 2022 effectief serieus werk zullen maken van hun ambities. Om te beginnen wordt vooruitgang verwacht op het gebied van wereldwijde regelgeving en industriële standaardisering. Die moeten de oplichters ontmaskeren en de ware voorvechters steunen. De International Financial Reporting Standards Foundation in Londen helpt overheden en regelgevers standaarden te ontwikkelen over de manier waarop beursgenoteerde bedrijven de klimaatgerelateerde risico's van hun activiteiten moeten rapporteren. De publicatie van de eerste reeks standaarden is voor midden 2022. De langverwachte regels van de Europese Unie die vermogenbeheerders verplichten openbaar te maken hoe ze rekening houden met het milieu, worden normaal in juli gepubliceerd. Ook de regelgevers in de VS en Singapore zullen wellicht in 2022 nieuwe voorschriften voor bedrijven bekendmaken over de vrijgave van data omtrent het klimaat. De andere reden om toch hoopvol te zijn komt van onderuit. Het Science Based Targets initiative (SBTi), een vrijwillig project van ecologische en internationale organisaties (waaronder de Verenigde Naties) zet druk op de bedrijfswereld om ernstige energieneutrale verbintenissen aan te gaan, die aansluiten bij de doelstellingen in het akkoord van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken. De experts van het SBTi zullen enkel officiële erkenning verlenen aan bedrijven die strenge normen hanteren om klimaatgegevens te meten en openbaar te maken, en die serieuze plannen hebben om hun koolstofuitstoot in te dijken. Compensaties van welke aard dan ook tellen bijvoorbeeld niet mee. Ondernemingen met wetenschappelijk onderbouwde doelstellingen hebben sinds 2015 hun gezamenlijke uitstoot van broeikasgassen met een kwart teruggedrongen. Wereldwijd is de uitstoot van energie en industriële processen in diezelfde periode met 3,4 procent toegenomen. 'Greenwashers' hebben hier met andere woorden niets te zoeken.