Ophef in pensioenland: de academische raad die de hervorming van het Belgische pensioenlandschap door de regering-Michel met wetenschappelijke rapporten moet ondersteunen, lanceert zich als een oppositiekracht. Het voorstel van minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine om werknemers de mogelijkheid te bieden een deel van hun loon op te sparen als bijkomend pensioen, is door de raad unisono afgebrand in de media.
...

Ophef in pensioenland: de academische raad die de hervorming van het Belgische pensioenlandschap door de regering-Michel met wetenschappelijke rapporten moet ondersteunen, lanceert zich als een oppositiekracht. Het voorstel van minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine om werknemers de mogelijkheid te bieden een deel van hun loon op te sparen als bijkomend pensioen, is door de raad unisono afgebrand in de media. De demarche van de raad suggereert een moeizame samenwerking tussen regering en adviseurs, met een voorspelbare ergernis bij de minister van Pensioenen als gevolg. Ofwel toont de minister te weinig politiek leiderschap, ofwel claimen de academici politiek leiderschap. Geen van beide is goed nieuws voor het welslagen van een pensioenhervorming die al decennia in de steigers staat. Inhoudelijk is de kritiek van de verenigde pensioenexperts begrijpelijk. De filosofie van de zogenoemde tweede pijler, die de eerste pijler van het wettelijke pensioen moet aanvullen, is er een van collectief sparen. Collectief sparen staat gelijk met collectief overleg op sector- of ondernemingsniveau, met cofinanciering door de werkgever, met solidariteit tussen werknemers en met risicodeling tussen alle betrokkenen. Dat alles vervalt wanneer de werknemer alleen spaart: de tweede pijler wordt dan eigenlijk de derde pijler van individuele pensioenkapitalisatie. Tot zover de theorie. Maar die moet ook aan de Belgische praktijk worden getoetst. België is een zeer weerbarstige leerling in aanvullende pensioenopbouw, vooral omdat de vakbonden en hun politieke geallieerden zich lang dogmatisch tegen elke tweede pijler hebben verzet. Toen België eindelijk een wettelijk kader voor het aanvullend pensioen kreeg, onder de socialistische ministers Marcel Colla en Frank Vandenbroucke, moest daarvoor een prijs worden betaald. De vakbonden gaven hun verzet op in ruil voor een gegarandeerd spaarrendement en een zeer strikte beleggingsregulering. Wat in België doorgaat voor een tweede pijler, lijkt zo op het wettelijke pensioen van de eerste pijler: geen collectieve belegging met risico voor de pensioenspaarders, maar een vaste pensioenbelofte met risico voor de verzekeraars en de werkgevers. Als het algemene economische en monetaire klimaat dan lang tegenzit en een vast rendement tot fictie maakt, zoals nu het geval is, dan wordt de uitbouw van een aanvullend pensioen in België dode letter. België is dus een kerkhof voor aanvullende pensioenen: de sociale partners willen het inherente risico van de pensioenkapitalisatie niet nemen, de werkgevers willen niet langer het kind van de rekening zijn en de pensioenfondsen of de groepsverzekeraars innoveren niet bij gebrek aan klanten. Dat is voor mij de context waarin we het voorstel van Bacquelaine moeten beoordelen. We weten donders goed dat de wettelijke pensioenen niet zullen volstaan om de levensstandaard van toekomstige gepensioneerden op peil te houden. Onze wettelijke pensioenen zijn - uiteraard met de bekende grote verschillen - gemiddeld basispensioenen. Er is geen geld om daarin een forse verbetering te brengen: elke extra euro moet bijeen worden geharkt om de pensioenkosten van de babyboomers te kunnen betalen. Meer geld kan alleen via het aanvullend pensioen. Als het collectieve aanvullend pensioen platligt, dan rest enkel individueel sparen, precies de doelstelling van Bacquelaine. Zo zien we alweer hoe het onvermogen van België om strategisch te handelen in een strategisch dossier als pensioenen, ons steeds weer in nieuwe bochten wringt. Hadden we in 1995, toen de wet-Colla het licht zag, samen gekozen voor een volwaardige tweede pijler, dan hadden we intussen twintig jaar lang kunnen sparen en beleggen. Dan waren de cultuur en de praktijk om in pensioenen daadwerkelijk de risico's te spreiden tussen wettelijke uitkeringen en collectieve kapitalisatie, al lang verworven. We hebben dat niet gedaan. We hebben nog altijd niet de cultuur en de praktijk is verlamd. Als de regering niet bereid is een collectieve aanvullende pijler zonder meer te verplichten, en dus werkgevers en werknemers te dwingen een deel van de loonmassa voor pensioen opzij te zetten, rest ons alleen de individuele optie. Of hoe historisch vakbondsverzet uiteindelijk eindigt in 'ieder voor zich'. De auteur is directeur van denktank Itinera en doceert aan de UGent. MARC DE VOSBelgië is een kerkhof voor aanvullende pensioenen.