Het lijkt er stilaan op dat de rechters het heft in eigen hand nemen, en doen wat zij vinden dat de wetgever volgens hen al lang had moeten doen. Het probleem heeft te maken met de verwerving van onroerend goed. De aankoop of de bouw van een woning is onwaarschijnlijk duur. Vandaar dat men altijd opnieuw op zoek gaat naar methoden om die financiële pil te vergulden.
...

Het lijkt er stilaan op dat de rechters het heft in eigen hand nemen, en doen wat zij vinden dat de wetgever volgens hen al lang had moeten doen. Het probleem heeft te maken met de verwerving van onroerend goed. De aankoop of de bouw van een woning is onwaarschijnlijk duur. Vandaar dat men altijd opnieuw op zoek gaat naar methoden om die financiële pil te vergulden. Een voor de hand liggende mogelijkheid bestaat erin het gebouw niet zelf te kopen of te bouwen, maar dat over te laten aan de professionele vennootschap waarin men zijn beroep uitoefent. De voordelen zijn legio. Een vennootschap kan de gemaakte kosten fiscaal afschrijven, en kan dat in principe ook voor het gedeelte van het gebouw dat voor privébewoning bestemd is. Die voordelen zijn de belastingadministratie al lang een doorn in het oog. Normaal is er geen probleem als een professionele vennootschap een pand verwerft om daarin haar activiteit te ontwikkelen, zelfs als in datzelfde pand ook een woning ingericht wordt. De problemen beginnen als men het fiscale voordeel poogt te optimaliseren door bijvoorbeeld de aankoop van het pand te splitsen in een deel vruchtgebruik en een deel blote eigendom. Vooral als dat op een agressieve manier gebeurt, in een poging zo veel mogelijk kosten ten laste van de vennootschap te leggen. De fiscus heeft ook een broertje dood aan pogingen om de aankoop van een tweede verblijf aan zee financieel te optimaliseren door de aankoop niet te laten doen door de natuurlijke personen die er gebruik van zullen maken, maar wel door hun professionele vennootschap. Over heel die problematiek is ongeveer een halve bibliotheek volgeschreven. Met uiteenlopende standpunten over wat wel of niet door de beugel kan. En over hoe men de fiscale risico's wel of niet kan beperken. Een van de twistpunten betreft het privégedeelte van de woning in kwestie. Als een vennootschap een woning voor privégebruik ter beschikking stelt van een zaakvoerder of bestuurder, is de genieter belastbaar op een voordeel van alle aard. Hij wordt met andere woorden geacht een bezoldiging in natura te genieten. De omvang van dat voordeel wordt op forfaitaire wijze geraamd. Die raming is onlangs nog aangepast, maar blijft al bij al aantrekkelijk. Niemand betwist dat, wanneer een vennootschap een bezoldiging toekent aan haar bestuurder of zaakvoerder, de kostprijs daarvan als beroepskosten aftrekbaar is. In de praktijk gaat men er dan ook van uit dat wanneer een bezoldiging wordt toegekend in de vorm van de gratis terbeschikkingstelling van een woning, de corresponderende kosten voor de vennootschap ook als beroepskosten aftrekbaar zijn. Maar de fiscus heeft het daar blijkbaar moeilijk mee. Vooral als er tegenover de hoge kosten voor de vennootschap, maar een matig belastbaar voordeel staat. In tal van dossiers is hij daarom ten strijde getrokken. Vooral, maar niet uitsluitend, wanneer het gaat om appartementen en villa's die een vennootschap -- al dan niet in het kader van vruchtgebruikconstructies -- verworven heeft en die zich niet bevinden op de plek waar de eigenlijke beroepsuitoefening plaatsvindt, maar bijvoorbeeld aan de Belgische kust. Een van de hoofdargumenten van de fiscus om te vinden dat de kosten dan niet aftrekbaar zijn in hoofde van de vennootschap, luidt dat de vennootschap niet aantoont dat haar bedrijfsleider voor het genoten voordeel ook werkelijke prestaties geleverd heeft. De rechtspraak antwoordt verdeeld. In een aantal gevallen is geoordeeld dat de fiscus het bij het verkeerde eind heeft. Als een vennootschap een onroerend goed, zelfs aan de kust, ter beschikking van haar zaakvoerder stelt, dan geniet hij een belastbaar voordeel van alle aard en is de kostprijs derhalve in hoofde van de vennootschap aftrekbaar. Maar het lijkt erop dat hoe langer hoe meer rechters geen genoegen meer nemen met die uitleg, als de vennootschap niet aantoont voor welke prestaties het genoten voordeel een bezoldiging vormt. De rode draad lijkt te zijn dat nogal wat rechters er echt genoeg van hebben. JAN VAN DYCK DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG. WWW.FISCOLOOG.BEDe vennootschap moet aantonen welke prestaties tegenover het genoten voordeel staan.