Luistergewoonten
...

LuistergewoontenBinnenkort starten de Vlaamse Audiovisuele Regie (VAR), de Regie Media Belge (RMB) en de BRTN met een eigen onderzoek naar de luistergewoonten in ons land. De drie bedrijven hebben die beslissing genomen, nadat gebleken was dat in de schoot van de technische kommissie van het Centrum voor Informatie over de Media (CIM) geen overeenstemming bereikt kon worden over de te volgen metodologie voor een studie onder auspiciën van het CIM. Vooral de regie IP ging daarbij dwars liggen. Het onderzoek zou gefinancierd worden door de drie regies en door de adverteerders. De zaak sleept al jaren aan ; in december was de VAR het wachten beu. Kort voor de jaarwisseling was er een bijeenkomst van de raad van bestuur van het CIM, waar de te volgen metodologie goedgekeurd werd op voorwaarde dat de technische kommissie ermee akkoord zou gaan. Dit laatste was echter niet het geval."We moeten gegevens hebben," zegt VAR-direkteur Wim Frison. "De BRTN stemt zijn programmabeleid af op de resultaten van het luisteronderzoek ; daarvoor zijn goede en kontinue gegevens noodzakelijk. Die zijn ook belangrijk als je reklamezendtijd op de radio verkoopt : je moet weten hoeveel mensen luisteren, om de tarieven te bepalen en de effektiviteit van de spots te meten." Dit alles wil nog niet zeggen dat de zenders het totnogtoe zonder gegevens hebben moeten doen. Er was echter (en er is nog altijd) sprake van twee verschillende onderzoeken. VAR en RMB baseren zich op "dagboeken" van luisteraars en krijgen zo kontinue gegevens. IP ondervraagt mensen face-to-face naar hun luistergedrag van de voorgaande dag, in het kader van een omnibusstudie. Elk van beide metoden heeft haar voor- en nadelen. De dagboekmetode heeft als nadeel dat het gaat om een kleiner aantal respondenten ; een voordeel is evenwel dat die precies invullen waar ze echt naar geluisterd hebben over een periode van tien weken. Met zijn omnibusstudie kan IP een grotere groep ondervragen, maar het risico bestaat dat de antwoorden niet altijd 100 % akkuraat zijn. In de praktijk vertoonden de resultaten van de twee onderzoeken niet erg veel verschillen voor het noorden van het land ; in het zuiden waren er echter wel verschillen.Binnen het CIM groeide het idee om de twee studies te kombineren. Omdat een face-to-face onderzoek een dure zaak is, zou dat onderdeel gedaan worden via de telefoon ( computer assisted telephone interviewing). Op die manier zouden de kosten al een stuk lager komen te liggen. Volgens Frison was IP echter niet te vinden voor die ondervragingstechniek. Zowel voor de BRTN als voor de VAR werd de toestand op den duur onhoudbaar. "We konden niet eeuwig blijven wachten," aldus Wim Frison. "Bovendien gebruikt het merendeel van de markt de studies van IP, en niet die van ons. We konden die situatie niet laten voortduren. Het ging er ons om één enkele CIM-studie te hebben, dan wel een ander onderzoek te starten. Die ene CIM-studie was voor ons de beste oplossing : dan hoefden we niet meer te argumenteren over cijfers. Wij stonden echter zwakker. IP kon de toestand zo houden, wij konden ons dat niet meer permitteren."De VAR deelde nog mee dat het onderzoek van VAR, RMB en BRTN uitgevoerd zal worden door Sobemap en Dimarso, conform het voorstel dat de raad van bestuur van het CIM goedkeurde. De studie wordt op wetenschappelijk, technisch en metodologisch vlak begeleid door internationale specialisten in radio-onderzoek. LUISTERONDERZOEK Goede en kontinue gegevens zijn nodig voor het programmabeleid, voor het bepalen van de reklametarieven en het meten van de effektiviteit van de spots.