Welke goederen drijven de wereldeconomie? In de 18de eeuw was dat suiker. In de 20ste eeuw olie. En in de 19de eeuw, toen de eerste industriële revolutie plaatsvond? Velen zullen antwoorden: steenkool, ijzer of staal. Terwijl eigenlijk katoen de drijvende kracht was achter de industriële revolutie van de 19de eeuw. Dat is de stelling van Sven Beckert in Katoen. De opkomst van de moderne wereldeconomie.
...

Welke goederen drijven de wereldeconomie? In de 18de eeuw was dat suiker. In de 20ste eeuw olie. En in de 19de eeuw, toen de eerste industriële revolutie plaatsvond? Velen zullen antwoorden: steenkool, ijzer of staal. Terwijl eigenlijk katoen de drijvende kracht was achter de industriële revolutie van de 19de eeuw. Dat is de stelling van Sven Beckert in Katoen. De opkomst van de moderne wereldeconomie.Beckert beschrijft in dit magistrale werk de geschiedenis van die textielvezel. Lange tijd was katoen voor westerlingen een exotisch product. Er deden zelfs verhalen de ronde dat katoen voortkwam uit een soort mengsel van plant en dier. Katoen werd al in het vijfde millennium voor Christus gekweekt in de Indusvallei. De katoenvezels werden tot draden gesponnen, waarmee stof voor kledij werd geweven. Katoen kon enkel gekweekt worden in subtropische gebieden. Slechts zeer langzaam drong het door tot de Europese markten. Pas in de middeleeuwen werd het via Venetië in onze contreien verhandeld. Hoewel stof in katoen gemakkelijk te verven en te reinigen was, bleef het onderdoen voor wol en linnen. Dat veranderde aan het einde van de 18de eeuw, toen de katoenproductie stilaan gemechaniseerd raakte. De industriële revolutie deed de productiviteit fenomenaal toenemen. Het spinnen van 450 kilo ruw katoen kostte in de 18de eeuw nog 50.000 uur. Tegen 1790 was dat gedaald tot 1000 uur, dankzij een Britse machine met honderd spoelen. In 1825 was er voor de productie van 450 kilo amper 150 uur nodig. Tegelijk zorgde de kolonisering ervoor dat katoen gemakkelijk kon worden gekweekt in gebieden die door Europa werden gecontroleerd. Zo groeiden eerst West-Indië en later het zuiden van de VS uit tot wereldwijde centra van katoenproductie. Het ruwe katoen werd geëxporteerd naar Liverpool, waar de vezel verwerkt werd. Halverwege de 19de eeuw kwam 70 procent van het in Groot-Brittannië geïmporteerde katoen uit de VS. Wat eeuwenlang een lokaal product was, werd het symbool van de globalisering. Ook in Europa begon zich een katoenindustrie te ontwikkelen. De overheden stimuleerden de katoenindustrie met goedkope leningen. In de VS werkten zwarte slaven op de plantages. In de Europese textielfabrieken hadden de arbeiders amper meer rechten. Toen de arbeidersbeweging aan het einde van de 19de eeuw hogere lonen begonnen te eisen, was de neergang van de Europese industrie al ingezet. In 1860 stond twee derde van de weefgetouwen in Groot-Brittannië, een eeuw later was dat nog 2,8 procent. Het Verre Oosten is intussen opnieuw het wereldcentrum van katoen, zowel voor de oogst als voor de productie van textiel. China en India beheersen samen met andere Aziatische landen de helft van de markt. Zeker voor India is die machtspositie symbolisch. Mahatma Gandhi nam tijdens zijn protest tegen de Britse koloniale overheersing in het openbaar plaats achter een spinnewiel. We vinden het werktuig terug op de vlag van de Indiase Congrespartij. Katoen blijft wel een mondiaal product. Vandaag verdienen 350 miljoen mensen hun brood in de katoennijverheid. Sven Beckert, Katoen. De opkomst van de moderne wereldeconomie, Hollands Diep, 2016, 816 blz., 49,99 euro ALAIN MOUTON