Handelaars, nijveraars, landbouwers en beoefenaars van vrije beroepen kunnen onder bepaalde voorwaarden een deel van hun winsten of baten toekennen aan hun echtgenoot die hen werkelijk helpt bij het uitoefenen van hun beroepsactiviteit. Die helpende echtgenoot wordt vervolgens op het toegekende gedeelte belast alsof het zijn eigen beroepsinkomen zou zijn.
...

Handelaars, nijveraars, landbouwers en beoefenaars van vrije beroepen kunnen onder bepaalde voorwaarden een deel van hun winsten of baten toekennen aan hun echtgenoot die hen werkelijk helpt bij het uitoefenen van hun beroepsactiviteit. Die helpende echtgenoot wordt vervolgens op het toegekende gedeelte belast alsof het zijn eigen beroepsinkomen zou zijn. Maar die gelijkstelling is beperkt. Het toegekende gedeelte wordt geacht een nettoberoepsinkomen te zijn. De helpende echtgenoot kan dus geen bijkomende beroepskosten in aftrek brengen. Sociaal. De toekenning heeft ook geen gevolgen voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen. De meehelpende echtgenoot wordt in de bestaande regeling niet geacht zelf aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen te zijn. Het is de geholpen echtgenoot die de bijdragen betaalt, en dit op basis van het geheel van zijn beroepsinkomen, inclusief het aan zijn helpende echtgenoot toegekende gedeelte. De helpende echtgenoot kan zich wel vrijwillig aansluiten bij de sector van de ZIV-uitkeringen (waarvoor slechts een relatief beperkte bijdrage moet worden betaald); maar in de praktijk wordt daar weinig gebruik van gemaakt. Programmawet. De regering wil nu de meewerkende echtgenoten aan een volwaardig sociaal statuut helpen, door ze in principe in eigen naam en volledig aan het sociaal statuut van de zelfstandigen te onderwerpen. Het ontwerp van programmawet dat rond deze tijd in het parlement wordt besproken, brengt daartoe zowel aan de sociale als aan de fiscale reglementering de nodige wijzigingen aan. Op fiscaal gebied komen die erop neer dat het aan de meehelpende echtgenoot toegekende gedeelte in hoofde van de geholpen echtgenoot gewoon als beroepskost aftrekbaar zal zijn; dat het toegekende gedeelte in hoofde van de helpende echtgenoot als een volwaardig eigen beroepsinkomen zal worden beschouwd (met de aard van een winst of baat, afhankelijk van de aard van het inkomen waaruit de toekenning gebeurt); en, dat van het toegekende gedeelte nog eigen beroepskosten van de helpende echtgenoot kunnen worden afgetrokken (werkelijke kosten, of een forfait van 5%). Het toegekende gedeelte zal vervolgens als basis dienen om in hoofde van de meehelpende echtgenoot de sociale bijdragen te berekenen die hij voortaan uit eigen hoofde verschuldigd zal zijn (met dien verstande dat de minimumdrempel waarover zelfstandigen in hoofdberoep in ieder geval sociale bijdragen betalen in hoofde van de meehelpende echtgenoten zal worden gehalveerd).Zonder. De nieuwe regeling zorgt er niet voor dat alle samenwerkende echtgenoten die gebruik maken van het stelsel van de toekenning aan de meehelpende echtgenoot, voortaan dieper in de zak moeten tasten. Ten eerste is de nieuwe fiscale en sociale regeling alleen bedoeld voor meehelpende echtgenoten die nog niet zijn gedekt door een sociaal statuut (de helpende echtgenoten zonder sociaal statuut). Wie zijn echtgenoot helpt en daarnaast nog een andere beroepswerkzaamheid uitoefent waardoor hij al een evenwaardig sociaal statuut geniet (helpende echtgenoot met sociaal statuut) valt niet onder de nieuwe regeling. Voor hem blijft alles, zowel fiscaal als sociaal, bij het oude. Ten tweede is voor de helpende echtgenoten zonder sociaal statuut in een overgangsregeling voorzien. De nieuwe regeling treedt weliswaar in werking op 1 januari 2003, en op fiscaal gebied met ingang van het aanslagjaar 2004 (inkomsten van 2003). Maar voor de inkomstenjaren 2003, 2004 en 2005 is de onderwerping aan het sociaal statuut van de zelfstandigen slechts verplicht voor de sector van de ZIV-uitkeringen (waarvoor slechts een relatief beperkte bijdrage zal moeten worden betaald). Een volledige aansluiting blijft voor die jaren facultatief. Hetzelfde geldt - maar dan voor onbepaalde duur - voor wie geboren is vóór 1 januari 1956. Voor meehelpende echtgenoten zonder sociaal statuut die er voor opteren om voorlopig nog niet volledig aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen te worden, verandert er in eerste instantie dus weinig of niets en blijft ook op fiscaal gebied alles voorlopig bij het oude. Hoger. Of de nieuwe regeling tot hogere bijdragen zal leiden, hangt af van geval tot geval. In het sociaal statuut van de zelfstandigen zijn boven een bepaalde inkomensgrens geen sociale bijdragen meer verschuldigd. Als de toekenning aan de meehelpende echtgenoot afkomstig is van inkomsten die boven die grens liggen, zullen in de nieuwe regeling alleszins meer sociale bijdragen zijn verschuldigd: het toegekende gedeelte zal in hoofde van de helpende echtgenoot immers een aparte basis voor bijdrageberekening vormen (naast die van de geholpen echtgenoot). Is het toegekende gedeelte daarentegen afkomstig van inkomsten die onder de voormelde inkomensgrens blijven, dan zal het plaatje er totaal anders uitzien; aangezien het toegekende gedeelte (in de nieuwe fiscale regeling) in hoofde van de geholpen echtgenoot als beroepskost aftrekbaar zal zijn, zal die laatste minder sociale bijdragen betalen. Hetgeen de helpende echtgenoot aan bijdragen betaalt, zal bijgevolg moeten worden afgewogen tegen hetgeen de geholpen echtgenoot aan bijdragen uitspaart. Bij relatief lage en middelhoge inkomens zal dat in veel gevallen niet meer dan een vestzak-broekzakoperatie zijn. Jan Van Dyck [{ssquf}]De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Het nieuwe stelsel is niet noodzakelijk altijd duurder.