Nieuwe statistieken van Eurostat en de OESO laten er geen twijfel over bestaan: de Belgische arbeidskosten stijgen in België nu al een aantal maanden minder snel dan in onze drie buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland. En dus neemt de Belgische loonkostenhandicap gestaag af. In 2013 bedroeg die loonhandicap ten opzichte van de buurlanden volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) 4,2 procent. Een jaar later was die handicap gedaald (gemeten in uurloonkost) naar 2,9 procent. En dat loonkostenverschil zal nu dus verder afnemen.
...

Nieuwe statistieken van Eurostat en de OESO laten er geen twijfel over bestaan: de Belgische arbeidskosten stijgen in België nu al een aantal maanden minder snel dan in onze drie buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland. En dus neemt de Belgische loonkostenhandicap gestaag af. In 2013 bedroeg die loonhandicap ten opzichte van de buurlanden volgens de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) 4,2 procent. Een jaar later was die handicap gedaald (gemeten in uurloonkost) naar 2,9 procent. En dat loonkostenverschil zal nu dus verder afnemen. Maar reden tot euforie is er nog niet, waarschuwt Edward Roosens, hoofdeconoom van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO): "Het gaat om de loonkostenhandicap sinds 1996, het jaar dat de wet op het concurrentievermogen in werking trad. Die wet moest ervoor zorgen dat de lonen op één lijn bleven met die bij onze buren en concurrenten. Dat is onvoldoende gebeurd. We moeten ook rekening houden met de loonhandicap die voor 1996 is opgebouwd." Dan blijkt dat België in 2010 ten opzichte van de buurlanden in de privésector een absolute loonkostenhandicap torste van 16,5 procent. Vorig jaar was die licht gedaald tot 15,5 procent. Het VBO berekende dat dit loonkostenverschil tegen eind 2016 verder zal afnemen tot 12,5 procent. Een daling met een vijfde dus. Dat is een rechtstreeks gevolg van de maatregelen die de regering en de sociale partners de jongste tijd hebben genomen. Er was om te beginnen het interprofessioneel akkoord dat de werkgevers plus ACV en ACLVB (het ABVV zei neen) eind januari hebben afgesloten voor de periode 2015-2016. Het voorziet in een maximale stijging van de loonkosten met 0,6 procent over twee jaar. Daarnaast zijn er de regeringsmaatregelen die de loonevolutie in toom moeten houden. De meest in het oog springende is de indexsprong van 2 procent, wat betekent dat de lonen worden bevroren tot de index met 2 procent is gestegen. Roosens: "Door de lage inflatie zal het effect van de indexsprong zich maar geleidelijk manifesteren en mogelijk nog effecten hebben tot in 2017. Bovendien zullen sectoren met een mechanisme van indexering op een vaste datum de lonen nog moeten indexeren, rekening houdend met de tot in maart 2015 vastgestelde inflatie." Anders gezegd: er moet in 2015 toch nog rekening gehouden worden met een beperkt effect van de automatische loonindexering. Het VBO schat die op een loonkostenstijging van 0,3 procent. Dat hoeft voor de Belgische concurrentiepositie geen probleem te zijn, integendeel. Door de aanpassing van de lonen aan de inflatie in de buurlanden zullen de loonkosten daar met 1,8 procent stijgen. De indexsprong doet de Belgische loonkostenhandicap dus met 1,5 procent dalen. Daarnaast zouden volgens de Europese Commissie de reële loonkosten in de buurlanden in 2015-2016 met gemiddeld 1,8 procent stijgen. In België daarentegen zou die reële loonstijging slechts 1,1 procent bedragen. Er is eerst de al vermelde 0,6 procent van het interprofessioneel akkoord die volgens het VBO in de lopende sectorale onderhandelingen gerespecteerd wordt, en in een aantal sectoren zelfs lager kan uitvallen. Daarnaast is er de zogenoemde loondrift door baremieke loonsverhogingen en promoties. Die wordt op +0,5 procent geraamd. Het gevolg is dat de Belgische loonkostenhandicap op het niveau van de reële loonstijgingen met 0,7 procent afneemt. En ten slotte is er de aangekondigde loonlastenverlaging van 900 miljoen euro voor 2016. Die komt overeen met een vermindering van de loonkosten met 0,8 procent. VBO-econoom Edward Roosens waarschuwt wel dat het effect van die lastenverlaging teniet kan worden gedaan door een regeringsbeslissing om het gewaarborgd loon bij ziekte uit te breiden tot twee maanden. Daar hangt een kostenplaatje van 800 miljoen euro aan. Toch gaat de VBO-studax ervan uit dat de absolute loonkostenhandicap teruggedrongen wordt van 15,5 naar 12,5 procent (zie grafiek Loonkostenhandicap in termen van loonkosten per uur). De handicap sinds 1996 zou daarmee zelfs zijn weggewerkt. "Maar we mogen de inspanningen niet laten verslappen en moeten blijvend inzetten op het concurrentievermogen", waarschuwt Roosens. Hij denkt dat het mogelijk moet zijn de historische loonhandicap tegen het einde van de legis-latuur te halveren. Daar zijn twee voorwaarden aan verbonden. Ten eerste: ook na 2016 moeten de sociale partners blijven kiezen voor loonmatiging. Dat is allesbehalve zeker. In haar jongste economische tijdschrift verwacht de Nationale Bank van België dat de vakbonden vanaf 2017 opnieuw substantiële loonstijgingen zullen eisen, na jaren van loonmatiging. Want zij kijken niet alleen naar de maatregelen van de regering-Michel. Ook de vorige federale ploeg onder leiding van Elio Di Rupo (PS) legde voor 2013-2014 al een reële loonstop op. Ten tweede: de taxshift moet zich toespitsen op een vermindering van de arbeidskosten via de werkgeversbijdragen in de sociale zekerheid. Het VBO stelt al een tijd een extra lastenverlaging van 2,7 miljard euro voorop. Pas daarna moet er gekeken worden naar lagere lasten via de personenbelasting of de werknemersbijdragen. Maatregelen in bijvoorbeeld de personenbelasting versterken inderdaad de koopkracht van de burgers, is bij de werkgeversorganisatie te horen, maar dat geldt evenzeer voor een lastenverlaging via de patronale bijdragen. Die leidt tot jobcreatie en dus meer koopkracht. Roosens verwijst ook naar studies van het Planbureau en de Nationale Bank uit 2011 die aantonen dat verminderingen van de patronale lasten een groter jobeffect hebben dan lagere belastingen of werknemersbijdragen. Roosens: "Dat is ook logisch, want de toename van het beschikbare inkomen wordt deels gespaard en deels besteed aan ingevoerde goederen. Dat heeft dus beduidend minder gunstige effecten op de Belgische economie en dus ook de jobcreatie." Over het effect van loonkostenontwikkelingen op de jobcreatie maakte VBO-econoom Roosens een aantal berekeningen. De statistische verbanden uit het verleden wijzen uit dat een stijging van de reële loonkosten per werknemer met 1 procent, op korte termijn leidt tot een vermindering van de werkgelegenheidsgroei met 0,27 procent en na vijf jaar zelfs tot een vermindering van de werkgelegenheid met 0,61 procent. Omgekeerd hebben reële loonkostendalingen een positief effect op de jobcreatie. De combinatie van de al genomen maatregelen kan in twee jaar voor 51.600 nieuwe banen zorgen, tegenover 21.300 bij ongewijzigd beleid, berekende het VBO. "Een verstandige taxshift gericht op een loonkostenverlaging kan er daar nog eens minstens zoveel bijdoen", besluit Roosens. Alain MoutonDe fiscus gaat ervan uit dat stortingen in een pensioenspaarfonds een jaarlijks rendement van 4,75 procent opbrengen.