Zo help je werklozen goedkoper aan een nieuwe job

Jan Denys haalt in zijn column over het begeleiden van werklozen (Trends, 25 september 2003, blz. 137) het Australische systeem aan als model voor de organisatie van arbeidsbemiddeling in Vlaanderen.
...

Jan Denys haalt in zijn column over het begeleiden van werklozen (Trends, 25 september 2003, blz. 137) het Australische systeem aan als model voor de organisatie van arbeidsbemiddeling in Vlaanderen. Nu is het met modellen altijd opletten geblazen, want bij nader inzien blijken ze toch niet het succes op te leveren dat ervan verhoopt werd. De halvering van de kostprijs lijkt inderdaad een opvallend succes, althans op het eerste gezicht. Want de reden daarvan haalt Denys niet aan: de Australische regering die in 1996 het systeem van marktwerking veralgemeende, heeft gelijktijdig massaal bezuinigd op de opleidingsprogramma's! (De huidige regering in Australië komt daar inmiddels van terug.) Ten tweede is gebleken dat de kostenefficiëntie ten koste dreigt te gaan van de kwaliteit van de dienstverlening. De betaling van de aanbieders is zo sterk afhankelijk van het brutoresultaat (plaatsing in een baan), dat aanbieders de dienstverlening voor de zwakkere groepen verwaarlozen. Wat bovenal opvalt, is dat de netto-impact (hoeveel werklozen worden dank zij de begeleiding aan het werk geholpen) niet echt verbeterd is in vergelijking met vroeger. Terwijl de overheid met de komst van privé-spelers op het terrein van bemiddeling en activering toch gehoopt had op een directer kanaal naar werkgevers-met-vacatures. Kortom, er bestaat gewoon geen weg om zwakkere groepen goedkoop aan een job te helpen. Wat we in Vlaanderen wél kunnen leren - van Australië, maar evenzeer van Nederland of Groot-Brittannië - is dat het heel wat kennis en middelen vergt om een overheidsaanbesteding te organiseren. De markt moet immers tot ontwikkeling worden gebracht. Zo beschikt Australië vandaag over een grote capaciteit van begeleiding voor werkzoekenden, uitgevoerd door talrijke organisaties. Dat is deels een gevolg van de grootte van het overheidsbudget, maar ook van de brede spelersmarkt die door de opeenvolgende overheidsaanbestedingen is gecreëerd. Dat de Vlaamse regering de geplande hervorming van de VDAB terug naar af verwijst, betekent nog niet dat het geschikte moment voor hervorming voor lange tijd voorbij zou zijn. Alleen, er zijn geen wondermiddelen en elk land schrijft zijn eigen versie van marktwerking. Met veel interesse heb ik het artikel 'Kritiek op richtlijn over softwarepatenten' gelezen (Trends, 25 september 2003, blz. 21). Het standpunt van, onder meer, professor Luc Soete over de octrooieerbaarheid van software lijkt me niet vrij van controverse. Het klopt dat veel economen en informatici sceptisch zijn (om niet te zeggen: volledig gekant) tegen softwareoctrooien, aangezien het octrooistelsel niet zou zijn afgestemd op de hedendaagse ontwikkelingen binnen de informatietechnologie. Een andere veelgehoorde kritiek heeft betrekking op de 'veramerikanisering' van het Europees octrooirecht: in de Verenigde Staten werden immers in het verleden nogal wat octrooien toegekend voor technologieën die stricto sensu niet aan de voorwaarden voor octrooieerbaarheid voldeden. Toch gaat de stelling van de 'industrie' voorbij aan de belangrijkste motieven van de Europese wetgever om in deze tot een ontwerprichtlijn te komen: het Europees Octrooibureau kent immers al jaren (duizenden) octrooien toe voor zogenaamde 'in computers geïmplementeerde uitvindingen', dit terwijl het Europees Octrooiverdrag de octrooieerbaarheid van 'computerprogramma's' uitsluit. Wegens deze onduidelijkheid is het de betrachting van de Europese wetgever om een 'status questionis' op te maken van de hedendaagse octrooiverleningspraktijk en - zo gaan alleszins de geruchten - een 'stand still' in te voeren door uitdrukkelijk de voorwaarden waaraan een softwareoctrooi moet voldoen te codificeren.